Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuig - (gerei; slecht volk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuig zn. ‘gerei; slecht volk’
Mnl. ghetuych, tuych ‘krijgsuitrusting (van een paard of soldaat)’ in Dat beste peert met zijn ghetuych [ca. 1450; MNW], been getuych ‘scheenplaat (van een harnas)’ [1450; MNW roer], Een voll harnaschtuich ‘een compleet harnas’ [1450-1500; MNW harnaschtuuch]; vnnl. dat ... die schutters hebben sullen een ommegaende tuuych ‘dat de boogschutters een lichaamsomsluitend pantser moeten hebben’ [1504; iWNT], ‘gereedschap, benodigdheden’ in Alderley rusting, tuych, ghereetschap, wercktuych [1567; Nomenclator, 254a], Cupido en de Dood ... met hun getuygh en wapen ‘Cupido en de Dood met hun wapentuig’ [1613; iWNT getuig], ghetuygh, tuygh ‘wapenuitrusting; gereedschap’ [1588; Kil.], tuygh ‘slechte waar, slechte mensen’ in dat tuych dan van Munickedam ‘het gepeupel uit Monnikendam’ [1613; iWNT], dat vuyle tuygh ‘gespuis’ [1610-19; iWNT], 'k Sal mijn leven niet eten Dat ongesonde tuych van onbereyde spijs ‘ik zal nooit van mijn leven eten dat ongezonde bocht van niet toebereid voedsel’ [1615; iWNT].
Afleiding met → ge- (sub d) van de wortel van het werkwoord → tijgen, oorspr. ‘trekken’. Voor de oorspr. collectieve betekenis ‘benodigdheden’ moet men uitgaan van ‘wat erbij gehaald wordt’. Het woord is alleen continentaal West-Germaans en heeft in een groot deel van dat taalgebied om onduidelijke reden het voorvoegsel verloren. In Zuid-Nederlandse dialecten komt nog wel de vorm getuig voor.
Os. gitiuh ‘uitgaven’ (mnd. getüch, tüch ‘uitrusting, gereedschap’); ohd. giziug, giziugi ‘stof, inrichting; uitgaven; werktuig’ (nhd. Zeug ‘uitrusting, gereedschap, benodigdheden, materiaal’); nfri. túch ‘uitrusting’; < pgm. *ga-teugi-. On. týgi ‘gereedschap’ (nzw. tyg ‘weefsel, materiaal’) is ontleend aan het Middelnederduits.
In de vroegst geattesteerde betekenis ‘uitrusting’ is het woord in enkele toepassingen nog steeds bekend, bijv. als het tuig van een paard ‘het geheel van riemen en koorden tussen paard en wagen’ of het tuig van een schip ‘het touwwerk en de zeilen van een schip’ (zie ook → aftuigen). Als tweede lid in samenstellingen is -tuig veel frequenter: aanvankelijk nog met de betekenis ‘uitrusting, benodigdheden’, zoals in oorlogstuig, schiettuig, vistuig, later vooral met een telbare betekenis ‘middel, instrument’ zoals in rijtuig, vaartuig, vliegtuig, voertuig (zie onder), speeltuig en zintuig. In de meeste samenstellingen van dit type is het tweede lid later vervangen door werktuig, instrument, gerei e.d., bijv. folterwerktuig, hijswerktuig, schrijfinstrument, naaigerei (alle vroeger met -tuig); nieuwe samenstellingen met -tuig ‘middel, instrument’ worden niet meer gevormd.
vaartuig zn. ‘vervoermiddel op water’. Vnnl. cleyn ofte groot vaertuych (collectivum) ‘kleine of grote schepen’ [1625; iWNT], Vis-boots ofte andere Vaer-tuygen [1634; iWNT]. Samenstelling van → varen 2 en tuig in de betekenis ‘middel’. Het Duits heeft dit woord, al dan niet via Nieuwnederduits fārtüg ‘vaartuig’, ontleend als Fahrzeug ‘vaartuig’ [1668; Kluge21], o.i.v. fahren ‘vervoeren, rijden’ later ‘vervoermiddel’ [19e eeuw; Kluge21]. Dit is de oudste samenstelling met tuig voor een vervoermiddel. Latere samenstellingen kunnen naar analogie hiervan zijn gevormd, eerst → rijtuig, bij rijden in de betekenis ‘vervoerd worden d.m.v. een paard’, en vervolgens: ♦ voertuig zn. ‘vervoermiddel over land’. Nnl. Voertuygh, als een koetse, waegen [1707; iWNT]. Samenstelling van → voeren 1 ‘personen of waren ergens heenbrengen’ en tuig. ♦ vliegtuig zn. ‘luchtvaartuig’. Vnnl. Ick ... spandense in mijn Vliegh-tuygh ‘ik spande ze (ganzen) aan mijn vlieginstrument’ [1663; iWNT]; nnl. vliegtuig ‘luchtvaartuig’ [1907; Groene Amsterdammer]. Samenstelling van → vliegen en tuig. Aanvankelijk een woord voor allerhande vliegende vervoermiddelen, waaronder bijv. ook luchtballons. In het begin van de 20e eeuw kwam het huidige model vliegtuig met vaste vleugels tot ontwikkeling en ging het woord uitsluitend dit type vervoermiddel aanduiden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuig* [toestel, gerei] {tuuch, tuych [gereedschap] 1500-1536} middelnederduits tuch, oudhoogduits giziug; verwant met tijgen. De uitdrukking tuig van de richel [gepeupel] komt van de richel, een smal bankje in de Amsterdamse schouwburg, achter tegen de schuine kap aangebracht. Men kon er niets zien, zodat de mensen tijdens de voorstelling gingen staan of leunden op de ruggen van hen die voor hen zaten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuig znw. o., sedert Kiliaen, maar mnl. ghetuuch o. (zelden) ‘stuk goed van een uitrusting’, mnd. tūch ‘stof, gerei, werktuig, onkosten, toegeruste schaar, penis’, ohd. giziug o. m. ‘stof, uitrusting, gerei, werktuig, onkosten’, vgl. het uit mnd. ontleende laat-on. tȳgi ‘stof, werktuig’. — Zie verder: teug en tijgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuig znw. o., sedert Kil., hier naast ghetuych = mnl. ghetuuch (gh) o. (zeldzaam en niet oud-mnl.) “stuk goed, wat tot de uitrusting hoort” = ohd. giziug o.m. “stof, uitrusting, gerei, werktuig, onkosten” (nhd. zeug o.), (os. gitiug m. “uitgaven”?), mnd. tûch o. “id., toegeruste schaar, penis”, laat-on. tŷgi o. “werktuig, uitrusting”. Van de bij teug besproken basis tuχ-, tuʒ-, idg. duq-. Evenzoo mnl. (ghe)tuuch, ghetûghe o. “getuigenis”, mhd. ziuc, geziuc, mnd. getûch, ofri. tiûg o. “id.” en de bij getuige besproken woorden. De bet.-ontwikkeling van dezen continentaal-wgerm. rechtsterm is niet geheel duidelijk; men leidt hem wel af van *ʒa-teuχanan in de bet. “(als getuige(nis)) er bij brengen, (als getuigen) samenbrengen”. Ook is de constante iu, nooit eo, van al de hier besproken vormen opvallend: moeten wij misschien van een nomen *teuʒes- uitgaan? Dan is echter de ʒ vreemd, want de idg. es-stammen hadden aanvangsbetoning.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tuig. Dat eng. toy ‘speelgoed’ (ouder-eng. ook in abstracte bett.) zou ontleend zijn aan het Ndl. (Toll Lehng. 72) is niet wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tuig o., Mnl. ghetuuch + Ohd. ziug (Mhd. ziuc, Nhd. zeug): van tiegen. Voor de bet. vergel. getrek van trekken en Fr. attirail van tirer. Uit Ndl. Eng. toy = speelding.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tuig s.nw.
1. Touwerk op 'n skip. 2. Toestel waarmee 'n ry- of pakdier ingespan word.
Uit Ndl. tuig (1567 in bet. 1, 1639 in bet. 2). Laat Mnl. tuuch, ouer getuuch, het die bet. 'gereedskap' (in die alg.). Ndl. tuig gaan terug op 'n Germ. ww. met die bet. 'trek', en tuig beteken dus lett. 'trekgereedskap'.
Vgl. teuel, teug, toom.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tuig (van de richel): het gemene volk, het gespuis*. Syn. falderappes*, geteisem*, schorremorrie*. Het woord tuig (afgeleid van ‘werktuig’) kreeg pas in het begin van de achttiende eeuw de nevenbetekenis ‘gemeen volk’. De betekenis van richel in deze verbinding is niet meteen duidelijk. Volgens de een wordt hier een smal bankje in de ‘engelenbak’ van de schouwburg mee bedoeld; volgens de ander slaat het woord op de houten bankjes in het armenhuis. Men spreekt ook wel van vee van de richel; dan zou richel eerder slaan op de balk of de plank in de koestal waarop het vee met de achterpoten staat. Bij De Beer & Laurillard vinden we nog het syn. tuig van Laban*; volgens de samenstellers van dit woordenboek ontleend aan Genesis 24:25 en 35:7-42. Zie ook: vee* van Laban.

Gouwe epaulette, die oordele motte over ’t tuig, dat God op de wereld geschopt het om te diene, te saluere, te… (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
De kouwe koorts zal dat tuig krijge… (A.M. Reens, Ghetto-ghijntjes, 1905)
Aardappeleters! Gazzers! Tuig van de richel! (Heere Heeresma, Geef die mok eens door, Jet, 1968)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tuig (paardetuig, enz.) van tiegen = trekken; het woord w.d.z.: het trekmiddel, het gareel. Hieruit ontwikkelde zich de bet. van uitrusting (bijv. in wapentuig; tuighuis); of middel of gereedschap: werktuig; voertuig.
Tuigen, getuigen (de waarheid, enz.), leidt men af uit de bet.: trekken voor ’t gericht, b.v. het Ohd.: zi urkundi ziohan = tot getuige trekken („oorkonde” is letterlijk: uitkondiging, uitverkondiging, kennisgeving, getuigenis).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tuig ‘toestel, gerei’ -> Deens tøj ‘gerei, kleding’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tøy ‘stof, kleding, gerei’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tyg ‘materiaal, gereedschap, gerei’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch tjúk ‘baal goederen, bundel’; Wit-Russisch cjuk ‘baal goederen, bundel’ ; Papiaments † tuig ‘paardentuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tuig* toestel, gerei 1500-1536 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2336. Vee (of tuig) van de richel,

d.w.z. kanaille, vee van Laban, een troep deugnieten, gespuis. Onder de richel moet men hier verstaan ‘een smal bankje in den engelenbak van den vroegeren Amsterdamschen schouwburg achter tegen den schuinen want van de kap aangebracht. Men kon daar zoowat zitten, maar niets zien van 't geen op het tooneel gebeurde; daarom moesten zij, die daar plaatsen hadden, gedurende de voorstelling staan, of leunen op de ruggen van de menschen, vóór hen. Naar dat publiek wordt thans nog het minste soort menschen ‘'t vee van de richel’ genoemd (V. Maurik, Jong. 149, noot). Vgl. Harrebomée II, 220: Het is volk van de rigchel; Amst. 109: Op zij, vee van de richel! eerst mot de ouderdom er in!; Jong. 153: Pas op, vee van de richel! of ik haal jelui éen voor één over de bank!; Zevende Gebod, 63: Jij sal d'r af of ik sal d'r af! Valderappus! Riggeltjestuig! vee!In het Ndl. Wdb. XIII, 25 wordt gedacht aan richel, dikke plank in een koestal, waarop het vee met de achterpooten staat (Boekenoogen, 826); dus vee van de richel, vee uit den stal, stalvee; vgl. ook Nav. IV, 284.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut