Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tucht - (discipline)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tucht zn. ‘discipline’
Mnl. tucht in Die vrome recken van hogher tucht ‘de dappere strijders van grote beschaving’ [eind 14e eeuw; MNW], een wijfleec wijf in reinder tsucht ‘een eerbare vrouw, rein van zeden’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. tucht ‘strenge opvoeding en toezicht, discipline; het straffen of vermanen’ in de tucht des Heeren ‘de straf van God’ [1558; iWNT], sijn volck ... in tucht ende ordeninghe houden ‘zijn volk gedisciplineerd houden’ [1569; iWNT], crijchstucht ‘regelgeving en -handhaving onder militairen’ [1609; iWNT krijgstucht]; nnl. akademische tucht ‘regelgeving en -handhaving binnen de universiteit’ [1868; iWNT], militaire tucht [1903; iWNT].
Nevenvorm van → tocht in de verouderde betekenis ‘fatsoen, beschaafdheid, zedelijkheid’. Bij het Middelnederduitse equivalent tucht en het Middelhoogduitse zucht heeft deze betekenis zich al vroeg verder ontwikkeld tot ‘opvoeding, zedelijke leiding’. Onder invloed van op het Neder- of Hoogduits gebaseerde Bijbelvertalingen nam Nederlands tucht deze betekenis over en ging het zich in vorm en betekenis onderscheiden van tocht.
Het woord had in deze leenbetekenis aanvankelijk dus vooral betrekking op religeuze en zedelijke regelgeving en -handhaving. Bij uitbreiding staat tucht ook voor de regelgeving en -handhaving binnen bepaalde andere groepen. In de afleiding ontucht ‘onzedelijk gedrag’ staat de oude betekenis nog centraal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tucht [discipline] {1558} < hoogduits Zucht, overgenomen uit bijbelvertalingen; het woord tucht bestond al langer als nevenvorm van tocht, dat in het middelnl. betekende ‘het trekken, beschaving, wellevendheid’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tocht znw. m., mnl. tocht, tucht v. m. ‘het trekken; opvoeding; poldersloot; vruchtgebruik, wellevendheid’, os. tuht, v., ohd. zuht (nhd. zucht) v., ofri. tocht, tucht, oe. tyht m., got. us-tauhts v., ondanks de sterk afwijkende betekenissen alle teruggaand op germ. *tuhti, verbaalabstract bij het ww. *teuhan ‘trekken’ (waarvoor zie: tijgen).

De vorm tucht kan een umlautsvorm uit verbogen naamvallen zijn, hoewel ook aan dialectische verschillen te denken is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tocht znw. Identisch met tucht; mnl. tocht, tucht v. m. met ruime bet.-sfeer. U is de vocaal van de verbogen casus en van afll. met een i in ’t formans; bovendien kunnen dial.-ver-schillen in ’t spel zijn. = ohd. zuht (nhd. zucht) v., os. tuht v., ofri. tocht, tucht (v.? Ook zwak tochta m.), ags. tyht m., got. us-taúhts v., met zeer uiteenloopende bett., te verklaren uit de bett. van germ. *teuχanan (oorspr. “trekken”; zie teug), waarbij germ. *tuχ-ti- verbaalabstractum is: = lat. ducti- (ductim “met een haal, met volle teugen”, ducti-ôn- “leiding”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tucht v., Mnl. id. + Ohd. zuht (Mhd. id., Nhd. zucht), Ags. tyht: een afleid. van denz. stam als ’t meerv. imp. van tiegen. Het heeft al de bet. van tiegen: z. toom 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tug s.nw.
1. Onderworpenheid aan gesag, dissipline. 2. Daad van teregwysing, straf. 3. Voorskrifte binne 'n bepaalde groep om onderworpenheid aan gesag te verseker.
Uit Ndl. tucht (1558 in bet. 1, 1559 in bet. 2, 1598 in bet. 3). Ndl. tucht kom reeds in Mnl. voor, maar dan as wisselvorm van tocht 'tog' (sien 2tog), met een bet. ook 'gemoedsbeskawing, wellewendheid'. Die vorm tucht in die drie bet. hierbo staan onder invloed van die Luther-bybel.
Ndl. tucht uit D. Zucht.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tug: oefening; gehoorsaamheid, dissipline; straf; Ndl. tucht (Mnl. tocht/tucht), Hd. zucht; hierby ww. Ndl. tuchtigen, Hd. züchtigen, “straf”, en Mnl. tuchtich, Hd. züchtig, “ingetoë, gedissiplineerd”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tucht, van ’t oude w.w.: tiën, tiegen = trekken, dat ook optrekken, opvoeden bet. (zie Toom). Vgl. ’t Mnl.: „Zij is opgetrocken om voor een prins te leven” = om de vrouw van een prins te zijn; en nog bij Brandt: „Virgilius was in alle wetenschappen opgetrokken. Ook nog bij Huygens: „In openbaere partijschappen ben ick geboren, gevoedt ende getucht” (= grootgebracht en onderwezen). Het woord tucht w.d.z.: opvoeding; thans meer een middel, een onderdeel der opvoeding. Daar dit onderdeel der opvoeding vooral ook op de straf ziet, die bij overtreding wordt toegepast, is tuchtigen synoniem met straffen geworden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tucht ‘discipline’ -> Fries tucht ‘discipline’; Deens tugt ‘discipline’; Noors tukt ‘discipline’; Zweeds tukt ‘discipline’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tucht discipline 1558 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut