Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trut - (zeurderige vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trut zn. ‘zeurderige vrouw’
Nnl. Het woord trutte is, als scheldwoord, nog veel onder ons in gebruik [1830; iWNTtrut II], trut ‘domme of luie vrouw’ [1865-70; iWNT trut II], Trutte, ... Kutcunnus. Gebruikt bij 't grauw” (West-Vlaanderen) [1873; iWNT trut I].
Het is niet zeker wat de oorspr. betekenis van dit woord is geweest, aangezien de betekenisovergang tussen ‘vrouwelijk/mannelijk geslachtsdeel’ en ‘scheldwoord voor een vrouw/man’ in het Nederlands in beide richtingen voorkomt. Uit het feit dat trut als scheldwoord lang niet altijd een obscene bijklank heeft, maar ook van toepassing kan zijn op bijv. een luie, humeurige, onnozele vrouw, en de betekenis trut ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ pas later en op zeer beperkte schaal is geattesteerd, kan wrsch. geconcludeerd worden dat de laatstgenoemde betekenis secundair is.
Men beschouwt trut meestal als een klankexpressief of affectief woord (NEW, WNT, Toll., EDale), dat mogelijk is ontstaan uit een klankvariant van → treuzelen (NEW) of van → prut (EDale). Misschien is het echter beter om aansluiting te zoeken bij bestaande woorden die in vorm en betekenis nauwe gelijkenis vertonen: zo kan trut heel goed zijn gevormd als contaminatie van trui ‘scheldwoord voor een vrouw’ en → kut ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ en/of → tut ‘onnozele vrouw’. Trui (vnnl. truye) komt sinds de 16e eeuw voor als scheldwoord voor ‘onnozele vrouw, lichtzinnige vrouw e.d.’ en is een verkorting van de destijds veelvoorkomende naam Geertruida.
Het WNT citeert trut of trutte, plaatselijk ook trudde, in de 19e en begin 20e eeuw als scheldwoord voor een vrouw vooral in dialectwoordenboeken, maar het woord komt dan al in zoveel regio's verspreid over het hele Nederlandse taalgebied voor dat het als algemeen Nederlands beschouwd kan worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trut* [zeurderige vrouw] {1873 in de betekenis ‘vagina’; de huidige betekenis 1899} verwant met troet, trot [week] en waarschijnlijk oorspr. een klankschilderend woord met de betekenis ‘weke massa’ (vgl. prut, preut, troet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trut znw. v., ‘treuzelende vrouw, ook zeurige vrouw’, behoort tot een groep van affectieve woorden als trutten ‘treuzelen’, trutselen ‘treuzelen’, die alle jonge formaties zijn en in hoofdzaak als varianten van treuzelen zullen zijn te beschouwen, althans wat de bet. betreft. Want formeel kan men ze verbinden met mnl. trotten, trōten ‘stappen, draven’, ohd. trottōn ‘stappen’, nhd. trotteln ‘langzaam gaan’ (nhd. trottel is te vergelijken met nl. trut); deze gaan uit van vormen als got. trudan, on. troða, waarvoor zie: treden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trut s.nw. (geselstaal)
Lamsak, sukkelaar.
Uit gewestelike Ndl. trut (1830). Ndl. trut is oor die hele taalgebied bekend in 'n pejoratiewe toepassing op 'n vrou, sekondêr vir 'n kind of man. In N.Ndl. het trut nie die obsene bybetekenis van 'vroulike geslagsdeel' nie. Ook in Afr. is die woord nie uitsluitlik op 'n vrou van toepassing nie, en eweneens sonder 'n obsene bybetekenis.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

trut: stijve, preutse, onnozele vrouw. Het scheldwoord wordt tegenwoordig ook voor mannen gebruikt. In homotaal staat het bijvoorbeeld voor een ‘vrouwelijk type homoseksueel’ (zie Joustra). Trut is een klanknabootsend woord dat eigenlijk ‘weke brij’ betekent. Het geeft het geluid van kokende pap weer. In het Bargoens wordt het gebruikt in de zin van ‘vrouwelijk geslachtsdeel’. Vandaar ook voor ‘iets zachts, iets weeks’ en vervolgens voor ‘een onnozele vrouw’. Omdat vooral (oudere) vrouwen graag achter het stuur van een Daf-wagen zaten, kreeg de auto in de volksmond de grove bijnaam truttenschudder (soms met de toevoeging met jarretelaandrijving). De Zeeuwse commissaris van de koningin Wim van Gelder noemde ‘het Zeeuws meisje’ ooit het margarinetrutje.

Je moeder is ’n stijve trut, altijd ziek en nooit dood. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)
Je weet wel, zo’n uitgedroogde trut die niets van het leven begrijpt. (Jan Wolkers, Gesponnen suiker, 1962)
Verrekte sloerie, lijpe trut, portiekhoer, slet, spinaziekut. (Robert Long, Beschaafde Tango, 1977)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trut ‘vrouwelijke schaamdelen’ -> Frans dialect trǫt ‘vrouwelijke schaamdelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trut* zeurderige vrouw 1899 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut