Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trouwen - (huwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trouwen ww. ‘huwen’
Mnl. trouwen ‘huwen’ in pieter ... & machtjlt die hi ghetrouwet adde ‘Pieter en Mathilde met wie hij getrouwd was’ [1284; VMNW].
Afleiding van → trouw in de inmiddels verouderde betekenis ‘plechtige belofte’. Bij het huwelijk wordt door beide partijen een plechtige belofte afgelegd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trouwen* [huwen] {1285} afgeleid van trouw [trouwbelofte]. De uitdrukking het is beter te trouwen dan te branden is ontleend aan de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs 7:9.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trouwen ww. ‘huwen’, mnl. trouwen, trûwen, mnd. trûwen, trouwen, mhd. trūwen, triuwen, trouwen (nhd. trauen) ‘de huwelijksgelofte doen, zich verloven, huwen’, een afl. van trouw 1 in de bet. ‘belofte van huwelijkstrouw’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trouwen (huwen), mnl. trouwen, trûwen. = mhd. trûwen, triuwen, trouwen “verloven met, huwen” (nhd. trauen), mnd. trûwen, trouwen “de huwelijksbelofte doen, huwen”. Bij trouw I in de bet. “belofte van huwelijkstrouw”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trouwen o.w. (vertrouwen), Mnl. id., Onfra. en Os. trûen + Ohd. trûên (Mhd. trûwen, Nhd. trauen), Ags. trúwian, On. trúa, Zw., De. tro), Go. trauan: abl. bij trouw 1 en trouw 2; hierbij On. adj. trú (Zw., De. tro).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

trouwe (ww.) trouwen; Vreugmiddelnederlands trouwen <1284>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3trou ww.
1. In die huwelik tree. 2. In die huwelik bevestig.
Uit Ndl. trouwen (al Mnl.), oorspr. 'n afleiding van die s.nw. trouw (sien 1trou).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

trou III: ww., in d. huwelik neem/tree; Ndl. trouwen (Mnl. trouwen/trūwen, “hu”) hou verb. m. trou I, “belofte v. huwelikstrou”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trouwen ‘huwen’ -> Petjoh trouwerasie ‘bruiloft’; Negerhollands trouw, trou, trow ‘huwen’; Berbice-Nederlands trou ‘huwen; gehuwd’; Sranantongo trow ‘huwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trouwen* huwen 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

674. Zoo zijn we niet getrouwd,

d.w.z. dat is onze afspraak niet; zoo wil ik er niets van weten; vgl. Molema, 122; zoo bin wie nijt getroud, dat kan ik niet laten gelden, ik krijg mijn part niet; Het Volk, 22 Febr. 1915 p. 8 k. 1: Neen, waarde partijgenoot, zoo zijn wij niet getrouwd; Nw. School, VII, 373: Maar zoo zijn we niet getrouwd heeren. Wij laten ons door uw kletspraatjes niet van de wijs brengen; Antw. Idiot. 1270: Zoo zijn we niet getrouwd, zoo zijn we niet overeen gekomen, zoo versta ik de zaak niet; Tuerlinckx, 637; Waasch Idiot. 664. Hierbij behoort ook aan iemand of iets niet getrouwd zijn, d.w.z. er niet voor goed aan verbonden zijn; fri. niet oan in-oar troud weze; Harreb. III, 68: Men is er niet aan getrouwd.

827. Met den handschoen trouwen,

d.i. bij afwezigheid van den bruidegom met een vanwege dezen met volmacht bekleed persoon trouwen; eene herinnering aan den tijd, toen men eene bevoegdheid aan iemand kon overdragen door hem zijn handschoen te zenden (Grimm, Rechtsalterth.2 154). De oorspr. beteekenis gevoelt men thans niet meer, daar men de uitdr. nu opvat als: niet met ontbloote hand, doch met den handschoen aan trouwen, elkander (nl. bruid en gevolmachtigde) bij de voltrekking van het huwelijk een gehandschoende hand gevenZie Ndl. Wdb. V, 2000-2001; Hand. en Mededeelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde, 1887, 107; 1898, 109.. In Indië wordt zulk een vrouw een handschoentje genoemd.

1904. Over den puthaak getrouwd zijn.

Dit wordt schertsend van man en vrouw gezegd, die in onwettige gemeenschap met elkander leven. Zie Harreb. I, 265 a; Onze Volkstaal II, 102 (Ned.-Betuwe): over de puthaok vrije, waarmede bedoeld wordt ‘de allereerste vrijage in de jongelingsjaren, dikwerf ontstaan uit of begunstigd door vertrouwelijke buurpraatjes van jongelieden der beide kunnen aan den puthaak’; Ppl. 193: Dat-ie nou trouwt over de puthaak, dat is nog tot daaran toe; Peet, 181; Het Volk, 23 Febr, 1916, p. 1 k. 1: Het vrije huwelijk, het huwelijk over den puthaak, het huwelijk zonder plechtigheden, het wilde huwelijk of met welken fraaien naam men het konkubinaat ook wil betitelen; De Vries, 91; Nw. School IV, 89. Ook in Groningen en Deventer is over de puthaok trouwen bekend; het wordt daar alleen gezegd van vreemden, bv. polderwerkers, landloopers, enz. (Molema, 339 a; Draaijer, 32 a). In het fri. zegt men in denzelfden zin: oer de biezemstôk trouwe, dat volgens Tuerlinckx, 64 en Rutten, 237 ook in Zuid-Nederland gebruikt wordt, waarvoor elders gezegd wordt over den bezem (bessem) trouwen (Antw. Idiot. 217Moet hieraan gedacht worden op eene plaats uit de zeer onkiesche Vermakelijke By-eenkomst oft selzaam Coffipraatjen, Amsterdam 1701, bl. 20: Dat Deuntjen kanze zo aardig, je sout om te hooren der wel voor over de Beesem-stok springen?) naast achter de haag getrouwd zijn (Antw. Idiot. 518; Rutten, 85 a) en over de halfdeur getrouwd zijn (Volkskunde IX, 107), waarmede te vergelijken is achter den steen getrouwd zijn (Harreb. II, 302 b). In het eng. kent men eveneens to marry over the broomstick en to jump the besom. W. Dijkstra deelt naar aanleiding van de uitdr. de polderjongens trouwe oer 'e putheak mede: ‘Twee hunner, reeds op jaren, houden het werktuig ieder bij een einde vast, bruidegom en bruid springen er over en 't huwelijk is gesloten’. Het huwelijk wordt dan tegenover den putbaas gesloten. Harrebomée II, IV vermeldt nog in denzelfden zin: Hij is getrouwd aan de Bremer of achter den steen.

2294. Beter te trouwen dan te branden,

d.i. beter te trouwen dan in stilte te verteren van onbevredigden hartstocht. De woorden zijn ontleend aan 1 Cor. 7, 9: Het is beter te trouwen dan te branden, d.i. ‘ter voldoening zijner neigingen een wettig huwelijk te sluiten dan een onheilig vuur in zich zelven te laten woeden en daardoor tot ongeoorloofde blussching van dien hartstocht vervoerd te worden’ (Zeeman, bl. 111). Vgl. Sp. II7, 27, 97: Huwelijc es in eeren geset.... ende hets beter dan .... verbranden; Con. Somme, bl. 455: Dits (weduwschap) een staet die sinte Pauwels seit ende seer pryst totten weduwen: dat sij hem in sulcken staet houden sullen, ist dattet hem ghenoecht; ende en ghenoechtet hem niet, dat sij huyliken, want sekerre is te huweliken dan te bernen; Cats I, 101: Beter gemant dan gebrant:

 Vriendinne ken u self, het is u minder schant,
 Voor alle man getrout, als heymelijck gebrant.

Zie verder De Cock2, bl. 156; fri. better to trouwen as to barnen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal