Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trotseren - (weerstaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trotseren ww. ‘weerstaan’
Vnnl. daerop trotseren ‘daar trots op zijn’ [1614; iWNT], ‘tarten, uitdagen, verzet plegen tegen’ in niet om de heeren te trotseeren [1627; iWNT], met betrekking tot zaken ook ‘standhouden tegen’ in die hem den Dood deden trotseren [1648; iWNT]; nnl. onaangenaamheden trotseeren [1785; iWNT].
Afleiding van het synonieme werkwoord trotzen [1557; iWNT], trotsen [1558; iWNT] met het achtervoegsel → -eren naar het voorbeeld van vele andere werkwoorden op deze uitgang. Trotsen is ontleend aan Hoogduits trotzen ‘tarten, weerstand bieden, fier zijn, hoogmoedig zijn’, een afleiding van Trotz ‘fierheid, hoogmoed’, zie → trots en → tarten. In tegenstelling tot trotsen, dat vooral in dichterlijke taal voorkwam, behoort trotseren van oudsher tot de algemene omgangstaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trotseren [het hoofd bieden] {1614 als ‘pochen’; de huidige betekenis 1628} van trotsen [idem] + -eren, naar het voorbeeld van soortgelijke werkwoorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tarten ww. Kil. torten (“Sax. Fris.”; zoo nog dial.: NBrab. Bommelerwaardsch), mnl. tarten, terten, torten. Met metathesis (vgl. tornen) = mhd. tratzen “trotseeren, tarten, plagen” of tretzen “id.”, nhd. trotzen “id.”. Vgl. nog mhd. traz, truz (md. troz, nhd. trotz) m. “weerspannigheid, hardnekkigheid” (ook als tusschenw. en nhd. als voorz. gebruikt), traz “hardnekkig”, tretzic (md. trotzic, nhd. trotzig) “id.”. Ags. teart “scherp, bitter, erg” (eng. tart) wordt wel hierbij gebracht; onwsch.: dan zou ’t een ablautende vorm, germ. *tarta- moeten zijn, want met mhd. traz zou ags. *tært overeenstemmen. Dial.-nnl. mnl. torten kan ook = mhd. trutzen zijn: vgl. mnd. trot “het trotseeren”. Oorsprong onzeker: hoogerop met teren I verwant? Ndl. trots znw., reeds bij Kil., trots voorz., nog niet bij Kil., Kil. trotsigh bnw., trotsen ww. komen uit ’t Hd. Hierbij ontstonden trots(ch) bnw. bijw., trotseeren ww. (wsch. naar braveeren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trotseer ww.
Die hoof bied, aandurf.
Uit Ndl. trotseren (1628). Reeds 1614 in die verouderde bet. 'spog'. Ndl. trotseren is 'n afleiding met -eren van trotsen (1557) 'trotseer'. Trotsen was die meer verhewe vorm, terwyl trotseren meer in die alg. taal, bv. in die 17de-eeuse klugte, aangetref is.
Ndl. trotsen uit D. trotzen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trotseren het hoofd bieden 1628 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut