Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tros - (meertouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tros 2 zn. ‘meertouw, werplijn’
Vnnl. tros ‘meertouw, kabel, gedraaid touw’ in 1 nieuwen tros ende 1 dregge ende ... 6 bootsriemen [1512; WNT].
Ontleend, mogelijk via het veel eerder geattesteerde Middelnederduitse trosse, trotze) ‘sterk scheepstouw’ [14e eeuw; Kluge], aan Frans trousse ‘bundel, foedraal’ [13e eeuw; Rey] < torse ‘bundel’ [ca. 1210; FEW], oorspr. ‘iets wat bij elkaar gebonden is zodat het gemakkelijk opgetild kan worden’, afgeleid van trousser ‘optillen; bij elkaar binden’ < trosser ‘id.’ [1080; Rey], zie → torsen.
De betekenis wordt verklaard als ‘tot een pakket ineengedraaid scheepstouw’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tros 3 znw. m., ‘kabel’ (scheepsterm), Kiliaen tros (Sax.), mnd. trosse, trotze (vooral in teksten van de Hanze en eerst laat-nhd. trosse). — Deze zeemansterm leidt men af van fra. trousse, waarvoor zie tros 1.

De overgang van de bet. ‘bundel’ > ‘kabeltouw’ is misschien daaruit te verklaren, dat deze kabels op het dek opgerold voor het gebruik gereed lagen en dus een bundel vormden. — Uit het nnl. zijn overgenomen fra. drosse, trozza, ital. drossa, spa. troza, port. troça (Valkhoff, Album Verdeyen 335).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tros III (kabel), door Kil. “Sax.” genoemd, mnd. trosse, trotze v. Wsch. = tros I: oorspr. bet. “bundel”. Tros III kan als oostndl.-ndd. woord bezwaarlijk uit spa. troza “touw” (afgeleid van vulgairlat. *tŏrcere = lat. torquêre “draaien, winden”) verklaard worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tros III. Spa. troza, port. troça, it. drossa, trozza, fr. drosse ‘touw’ wellicht uit het Ndl.? (M.Valkhoff Mots fr. d’or. néerl. 119).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tros ‘kabeltouw’ -> Duits Trosse ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Oost-Jiddisch trosn ‘kabeltouw’; Deens trosse ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors trosse ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tros ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins trossi ‘alle touwen en kabels op een boot’ <via Zweeds>; Ests tross ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Kroatisch tros ‘kabel, touw van in elkaar gedraaide draden’; Macedonisch tros ‘alle touwen en kabels op een boot’; Sloveens tros ‘touw van in elkaar gedraaide draden’; Russisch dialect tros ‘sterk touw, kabel; (boeventaal, jongerentaal) grote gouden halsketting’; Bulgaars tros ‘sterk touw, kabel’; Oekraïens tros ‘kabel, touw van in elkaar gedraaide draden’ <via Russisch>; Azeri tros ‘sterk touw, kabel’ <via Russisch>; Lets trose ‘kabeltouw’ (uit Nederlands of Nederduits); Litouws trosas ‘kabeltouw’; Indonesisch tros ‘kabel om schip mee vast te meren’; Boeginees toroso ‘kabeltouw’; Makassaars dorôsó ‘kabeltouw’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal