Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tros - (bundel vruchten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tros 1 zn. ‘bloeiwijze, bundel vruchten’
Mnl. tors ‘bundel’ in de samenstelling wijntorsch ‘druiventros’ (met niet-etymologische spelling -sch) [1350-1400; MNW], Noch LXXVII torssen handboghescots ‘nog 77 bundels pijlen’ [1432-68; MNW torse II]; vnnl. nog steeds tors in bittere wijntorssen [1528; iWNT wijn], maar overwegend tros, in wijntros [1534; Claes 1994b] en als simplex in tros ‘bloeiwijze, bundel vruchten zoals druiven of bananen’ in cleyne troskens met cleyne witte bloemkens [1554; Dodonaeus], met eenen tros van plumen vp sijn hooft [1576; iWNT triomfant II], tros, torsch ‘bundel vruchten’ [1588; Kil.], eenen grooten tros (bananen) [1598; iWNT uitwerpen I].
Wrsch. ontleend aan een dialectvorm van Frans trousse < Oudfrans torse ‘bundel’ [ca. 1210; FEW], zie verder → tros 2. Een bezwaar hierbij is, dat juist de oudste en belangrijkste Nederlandse toepassing van het woord op druiven en andere vruchten in het Frans onbekend is. Op grond van enkele dialectvormen pleit NEW dan ook voor inheemse herkomst. Het woord zou net als Oudnoors tros ‘halfvergane tak’ (nno. dial. ‘afval van bomen’) verwant zijn met pgm. *trewa- ‘boom’, waarvoor zie → teer 1 ‘pek’. De veronderstelde betekenisontwikkeling (‘vast samengroeisel’ > ‘tros’) en de beperkte geografische spreiding van het woord maken ook deze aanname onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tros2* [bundel druiven] {1554, vgl. wijntros 1534} ouder wijntorsch; misschien verwant met oudnoors tros [halfvergane tak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tros 2 znw. m., ‘druiventros’, Kiliaen tros, trosse, torsch ‘racemus, uva, botrus’, alleen nog in oostfri. en fri. Daarnaast staan nog de vormen wvl. truis ‘tros’ en gronings troest ‘bijeengegroeid bosje’. — Deze abl. vormen pleiten tegen de algemene opvatting, dat dit tros zich uit het vorige woord zouden hebben afgesplitst (‘bundel’ > ‘tros van vruchten of bloemen’), zoals W. de Vries Ts 41, 1922, 203 terecht heeft opgemerkt; aan een secundaire vorm is moeilijk te denken, nu deze zowel in het Zuiden als in het Noorden optreedt.

Men kan formeel vergelijken oe. trūs ‘afgevallen bladeren en twijgen’, on. tros o. ‘halfvergane dorre tak’, nnoorw. nde. dial. tros, nzw. tross ‘afval van bomen’, die zeker tot de boomwortel *deru behoren, waarvoor zie: teer 1. Als vast samengegroeide vruchtentros of bloeiwijze zou ons woord tros zo kunnen verklaard worden. Men zou dan moeten aannemen, dat een oud westgerm. woord alleen op nl. taalgebied bewaard gebleven is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tros II (van druiven enz.; een bloeiwijze). Kil. tros, trosse, torsch “racemus, uva, botrus”. Ook oostfri. fri. Wsch. = tros I: oorspr. bet. “bundel”. —Het is niet wsch., dat tros II van ofr. tros “stronk” komt, dat men uit vulgairlat. *tursus = lat. thyrsus (gr. thúrsos) verklaart: de heele woordgroep van ofr. torser, fr. trousser wordt wel hiervan afgeleid. Vla. truis “tros” is wsch. een secundaire vorm naast struis “id.” en wijst dus niet als ablautvorm op germ. oorsprong van tros II

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tros I, tros II. Hoewel vla. truis met fri. trús (zandstreek strús = struis), gron. troest ‘tros’ te vergelijken is (W.de Vries Tschr. 41, 203), is het toch niet gewenst op grond hiervan tros II van tros I te scheiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tros m., gelijk Hgd. trosz, uit. Fr. trousse, verbaalabst. van trousser: z. torsen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tros s.nw.
1. Groep blomme en vrugte vas aan 'n stingel of tak. 2. Bondel, klomp.
Uit Ndl. tros (al Mnl. in bet. 1, 1588 in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tros (de, -sen), meerdere trossen aan een steel (gezegd van bananen* en bakoven*). Adjanga: grote 4-5 m hoge plant; vrucht groot; tros bestaande uit 5-8 handen* (Budelman & K. 39). - Etym.: AN tros = SN hand*.
— : zijn tros gekapt hebben (had), er mooi uitzien, er mooi bij lopen. - Etym.: S kap’ tros = bananen oogsten. - Syn. zijn manja* gekapt hebben.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tros: bondel (i.v.m. blomme en vrugte, bv. druiwe), (dan ook) groep (bv. kinders); Ndl. tros (by Kil tros(se)/torsch), hou vlgs. dVri J NEW geen verb. m. Ndl. tros (v. Rom. herk.), “bagasietrein v. leër” nie, wsk. wel m. Oeng. trūs, “afgevalle blare en takkies”, dan WGerm. wd. wat net in Ndl. en dial. bewaar gebly het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tros ‘bundel druiven’ -> Duits dialect † Tross, Trosse, Tröss, Trösse ‘bundel fruit, pluim’; Papiaments tròshi (ouder: trosji) ‘bundel druiven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tros* bundel druiven 1554 [Dod.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut