Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

troost - (opbeuring)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

troost zn. ‘opbeuring’
Onl. trōst ‘troost, bemoediging’ in Then cristenen herthen trost sagode ‘aan de christenen zegde hij de troost toe’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. te troste ‘tot steun’ [1200; VMNW], trost ‘bemoediging, troost’ [1240; VMNW], Ihesus onse troost ‘Jezus onze toeverlaat’ [1285; VMNW], Die troost van philosophien ‘de vertroosting van de filosofie’ (titel van een boek van Boethius) [1300-25; MNW-R]; nnl. troost ‘koffie’ in hun dagelijksche bakje troost [1878; Zierikzeesche Courant].
Os. trōst ‘steun’; ohd. trōst ‘troost, hulp, hoop’ (nhd. Trost); ofri. trāst ‘hulp, troost, vertrouwen’ (nfri. treast); on. traust ‘kracht, hulp’ (nzw. tröst, en door ontlening aan een Noord-Germaanse taal ne. trust ‘vertrouwen’); got. trausti ‘verbond’; < pgm. *traust- ‘steun, hulp’.
Afleiding met st-achtervoegsel van de wortel van → trouw, die oorspr. ‘standvastig, stevig’ betekende. De huidige betekenis is een jongere, christelijke ontwikkeling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

troost* [opbeuring] {tro(o)st, troist [bemoediging, hoop, hulp, vertrouwen] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits trōst, oudnoors traust, gotisch trausti; buiten het germ. litouws drūtas, driūtas [sterk, dik]; van dezelfde stam als trouw.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

troost

Het Nederlandse troost is verwant met trouw, Duits treu, Engels true, Zweeds trygg. De eigenlijke betekenis van die woorden is: vast, zeker, sterk. Ons woord troost kwam dan ook vroeger voor in de betekenis: hulp, bijstand, bijvoorbeeld bij Hooft. Een oude zegswijze luidt: een goed kind is zijns vaders troost. Ook daar betekent troost: steun. Een andere uitdrukking was: Geduld is lijdens troost: de enige weg die ons bij rampen openstaat is de weg van het geduld. In de 8o-jarige oorlog maakte men daarvan met een toespeling op het beroemde beleg: Geduld is Leidens troost. Breero schrijft in de Spaansche Brabander: Vadertjes neus is moertjes troost (zekerheid): Je hebt pas zekerheid als iemand vóór je staat, moeder is pas gerust als vader z’n neus weer laat zien. De betekenis werd later: verwachting, vertrouwen, bemoediging en dan: verkwikking, lafenis. Men spreekt van een bakje of kommetje troost voor: koffie en in de Zaan noemt men de (goedkope) bokking: armelui’s troost.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

troost znw. m., mnl. troost m. ‘vertrouwen, troost, hulp, aansporingʼ, os. trōst m. ‘troostʼ, ohd. trōst m. ‘vertrouwen, hulp, troostʼ, owfri. traest, on. traust o. ‘vertrouwen, zekerheid, hulpʼ; vgl. nog on. traustr ‘betrouwbaar, zekerʼ en got. trausti o. ‘verdrag, verbondʼ. Abl. nog mlat. trustis ‘trouwverhouding tussen de koning en de gevolgsmannenʼ. — Idg. grondvorm *dreu: *drou. vgl. gr. (arg.) droós ‘stevigʼ, lit. drútas, driutas ‘sterk, dikʼ, behorende tot de wt. *deru ‘boomʼ waarvoor zie: teer 1. — Zie: troosten en trouw.

Benveniste Word 10, 1954, 257-9 leidt uit dit woord af, dat de grondbet. van deze wortel ‘vast, krachtigʼ zou zijn en dat het begrip ‘boom’ daaruit zou zijn ontstaan. Dit is stellig niet juist. Uitgangspunt is juist de boom en alle werkzaamheid, die daarmee verbonden is. Men kan het begrip ‘vast, stevig’ uit de eigenschap van stam en takken rechtstreeks afleiden; met dat van troost is het anders gesteld. Want dit is een begrip, dat allereerst de verhouding in het gevolg van de koning kenmerkt en wij moeten dus de door J. Trier gewezen omweg kiezen over ‘de van twijgen gevlochten omheining’ > ‘omheinde ruimte, zoals die van de dingvergadering’ > begrippen die met de activiteit van mannen in een gemeenschap te maken hebben. — De huidige bet. is eerst door invloed van het Christendom opgekomen, naar het schijnt in Zuid-Duitsland, vanwaar het zich noordwaarts uitbreidde, maar toch alleen tot het continentaal westgerm. beperkt is gebleven. Het noordgerm. bleef bij de oorspr. bet. staan; ne. trust stamt uit het skand. — Het oude woord voor ‘troost’ was os. frōƀra v. ‘troost’, oe. frōfor v. m. ‘troost, hulp’, ohd. fluobra v. ‘troost, hulp’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

troost znw., mnl. troost m. “vertrouwen, troost, opbeuring, hulp, aansporing”. = ohd. trôst m. “troost, vertrouwen, hulp” (nhd. trost), os. trôst m. “troost”, on. traust o. “vertrouwen, zekerheid, hulp”, waarnaast het on. bnw. traustr “betrouwbaar, zeker” en ’t got. znw. trausti o. “verdrag, verbond”. Eng. trust “vertrouwen” uit ’t Ngerm. Met ablaut mlat.(uit het Germ.) trustis “trouwverhouding tusschen koning en gevolgsmannen”. Bij trouw I. Sommigen gaan van idg. drau-st(h)-, dru-st(h)- uit en vergelijken nperz. durušt “hard, sterk, grof, ruw”, durust “gezond, geheel, juist, waar”, uit *dru-stha- “in robore stans, qui in robore est” (’t 2. lid bij staan), anderen nemen idg. drau-zd-, dru-zd- aan en combineeren meer direct ier. druit “betrouwbaar”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

troost. De oudste, in het On. nog enige, bet. van het germ. woord was ‘zekerheid, vertrouwen, hulp’. De bet. ‘consolatio’, ontstaan onder invloed van het Christendom, is wsch. in Zuid-Duitsland opgekomen en heeft zich vandaar noordwaarts uitgebreid ten koste van os. frôƀra v. ‘troost’, ags. frôfor v. m. ‘troost, hulp’, ohd. fluobra v. ‘id.’. Ook het ww. troosten zal, blijkens vooral on. treysta, dat alleen nog de vóórchristel. bet. kent, eerst in de christelijke tijd de bet. ‘consolari’ gekregen hebben. De oude opvatting leeft nog voort in getroost ‘rustig, vertrouwend’ (mnl. ghetroost), nhd. getrost ‘id.’. Braune PBB. 43, 383 vlgg.
Bij het znw. toevoegen: owfri. traest m. ‘troost’, bij het ww.: owfri. trâstia ‘troosten’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

troost m., Mnl. id., Os. trôst + Ohd. trôst (Mhd. en Nhd. id.), On. traust (Zw. tröst, De. trøst), Go. trausti: partic. afleid. van wrt. treus, een uitbreiding van wrt. treu: z. trouw. Uit Skand. Eng. trust. Niet verwant is Go. þrafstjan = troosten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

troes, truus (zn.) troost; Vreugmiddelnederlands trost <1151-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1troos s.nw.
1. Bemoediging van en meelewing met iemand in nood en smart. 2. Persoon wat bemoedig en meeleef. 3. Iets wat lafenis of verkwikking bied.
Uit Ndl. troost (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1625 in bet. 3). Die oorspr. bet. van die Germ. grondwoord is 'sekerheid, beskerming'. Die bet. 'vertroosting' (bet. 1 en 2) is onder Christelike invloed. Bet. 3 is 'n verswakte opvatting, gebruik as 'n teenwig van teleurstellende, onaangename of neerdrukkende ervarings.
D. Trost, Sweeds tröst.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

troost ‘geestelijke steun’ (bet. van Latijn consolatio)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

troost. In vroeger eeuwen zwoer men bij allerlei lichamelijke ongemakken, ziektes en kwalen. Zo vinden wij in de Beroyde Student [1646] van J. Noozeman de bastaardvloek gans krancke troost ‘bij Gods schrale troost’. Ik vat krank op als bijvoeglijk naamwoord in de betekenis ‘zwak, schraal’. In Vlaanderen komt voor wel hemelse troost! Vgl. Mullebrouck (1984). Ik zie hierin een substitutievloek van wel hemelse goedheid! Er is ook een andere mogelijkheid denkbaar. Net als goedheid kan troost in de betekenis ‘hulp, bijstand’ metonymisch gebruikt worden voor God. Als in een bui van boosheid, ergernis en vergelijkbare frustraties troost ijdel gebruikt wordt, hebben wij te maken met een schaamteloze vloek.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

troost Troost komt in verschillende samenstellingen of uitdrukkingen voor in de betekenis ‘borrel’ of ‘sterke drank’. Omstreeks 1874 werd een borrel wel een glaasje troost der armen genoemd. De Utrechtse taalkundige De Vooys signaleerde in 1920 dat een borrel een kopje troost werd genoemd. Overigens werd de ‘troost’ soms echt in een kopje geserveerd, bijvoorbeeld in gelegenheden zonder drankvergunning (zie ook bij koffie). Een fles met sterke drank werd troostfles genoemd, whisky heette ook troostwater en bij begrafenissen schonk men vroeger troostelwijn of troost(el)bier. De Duitsers kennen Tröster voor sterke drank, de Engelsen soother ‘susser, trooster’, soothing syrup ‘troostsiroop’ en cup of comfort ‘kopje troost’.
Vergelijk vaderstroost, vertroosting en zielentroostertje.

[Herroem 1; Ntg 14:282; WNT XVII2 3268]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

troost ‘opbeuring’ -> Fries troast ‘opbeuring’; Negerhollands troost ‘opbeuring’; Sranantongo trowstu ‘opbeuring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

troost* opbeuring 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut