Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

troon - (vorstenzetel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

troon zn. ‘vorstenzetel’
Mnl. troon, trone ‘vorstenzetel’, als tron [1240; Bern.], overdrachtelijk in Daer bouen in dis hemels trone ‘daarboven in het hemelrijk’ [1265-70; VMNW], Dar ghinc hi vte sinen trone ‘daar stond hij op van zijn troon’ [1285; VMNW], die here es in den troon ‘hij die God is in de hemel’ [1300-50; MNW-R].
Ontleend, al dan niet via Frans trône ‘troon’ [1120; Rey], aan Latijn thronus ‘id.’, ontleend aan Grieks thrónos ‘hoge zetel van goden, hoge armstoel, i.h.b. die van de Pythia (orakelpriesteres) in Delphi’, verdere herkomst onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

troon [staatsiezetel van vorst] {t(h)rone, troon 1201-1250} < oudfrans trone of direct < latijn thronus [zetel, troon] < grieks thronos [hoge armstoel, zetel van goden en vorsten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

troon znw. m., mnl. troon, trône m. ‘troon, hemelʼ, evenals mnd. trōn, mhd. trōn (nhd. thron), owfri. troen òf rechtstreeks òf over fra. trône < lat. thronus < gr. thrónos.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

troon znw., dial. met ô (vgl. toon II), mnl. troon, trône m. “troon, hemel”. = mhd. trôn (nhd. thron), mnd. trôn, owfri. troen m. “troon”. Uit lat. thronus (< gr. thrónos), al of niet via fr. trône “troon”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

troon m., Mnl. id., gelijk Hgd. thron, Fr. trône, uit Lat. thronum (-us), van Gr. thrónos.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

troon s.nw.
1. Setel van 'n vors of vorstin. 2. Vorstelike heerskappy, koningskap. 3. (skertsend) Sitplek van 'n toilet.
Uit Ndl. troon (al Mnl. in bet. 1, 1526 in bet. 2, 1924 in bet. 3). Datering van bet. 3 is van 'n woordeboek, en die voorkoms daarvan dus al veel vroeër. Die skertsende toepassing van bet. 1 met enigiets vergelykbaars dateer trouens uit 1516 (WNT).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

troon (Latijn thronus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

troon. In het Vroegmiddelnederlands gebruikte men de eedformule bi den trone Gods ende bi den ghenen dire op sett ‘bij de troon van God en bij degene die erop zit’. Zo althans blijkt uit het Luiks Diatessaron [1291-1300]. Gebruik op de verkeerde plaats en te frequent gebruik maken haar tot uitroep en vloek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

troon ‘staatsiezetel van vorst’ -> Negerhollands troon ‘staatsiezetel van vorst’; Sranantongo trown ‘staatsiezetel van vorst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

troon staatsiezetel van vorst 1240 [Bern.] <Frans of Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut