Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tronk - (afgeknotte boomstam)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tronk [afgeknotte boomstam] {tronc, trunc [stam, afgeknotte stam, romp (van lichaam)] 1287} < frans tronc < latijn truncus [afgeknot, verminkt, van zijn takken beroofd, boomstam, (s)tronk], vgl. litouws strugus [geknot] (vgl. trancheren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tronk znw. m., mnl. tronc m. ‘tronk, romp, geslachtʼ < fra. tronc < lat. truncus. — Het woord werd reeds vroeg ontleend blijkens ohd. trunc (10de eeuw); daar het ook bij Trier bekend is, vermoedt Frings Germ. Rom. 1932, 135 rechtstreekse ontl. uit het lat. woord. — Zie ook: stronk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tronk znw., mnl. tronc m. “tronk, romp, geslacht”. Uit fr. tronc (< lat. truncus). Een gunstige omstandigheid voor de ontl. was het ospr. germ. stronk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tronk. Reeds ohd. (10e eeuw) éénmaal trunc; het woord komt ook als tronk om Trier voor: Frings Germ. Rom. 135. Misschien een oude ontl. uit lat. truncus? Zie stronk Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tronk m., Mnl. tronc, uit Fr. tronc, van Lat. truncum (-us), zelfst. gebr. adj. = afgeknot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tronk s.nw.
Gevangenis.
Uit koloniale Ndl. tronk (1663). Koloniale Ndl. tronk is 'n ontlening aan Port. tronco 'blok waarin voete van misdadigers gesluit word', asook 'gevangenis'. Uit 'n aanhaling uit Baldeus se Beschrijving der Oost-Indische Kusten Malabar en Choromandel (1672), nl. 'uyt den Tronk of 't Gevangen-huys' blyk die bet. 'gevangenis' duidelik (WNT). Hoewel in vroeë Kaapse stukke ook die bet. 'blok' uitkom, is by Adam Tas (1705) en Johanna Duminy (1793) die bet. 'gevangenis' duidelik (Scholtz 1965). Deur die aanwesigheid van Oosterse slawe aan die Kaap kon sowel die wóórd tronk as die bet. 'gevangenis' gevestig geraak het. Soos Davids (1990: 8) aantoon, is dit foutief om te beweer dat die woord aan Maleis ontleen is. Maleis is net een van die tale van die Maleis-Polinesiese groep, en die woord vir 'tronk' is panjara. In Buganees en Sunda, 'n dialek van Bali, is die woord vir 'n gevangenis tarunka, en indien nie reeds deur die Kompanjiestaal aan die Kaap bekend nie, kon dit die oorsprong van Afr. tronk wees.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1798), ook in die verouderde verengelste vorm trunk (1732).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tronk: gevangenis; Port. tronco, “blok; gevangenis” (gebr. end 17e eeu nog enigsins dubbelsinnig, begin 18e eeu duideliker), vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 31 wat betoog dat sem. ontw. nie a. d. Kaap hoef plaas te gevind het nie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tronk (Frans tronc)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tronk, van ’t Fr. tronc, van ’t Lat. truncus = het afgeknotte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tronk ‘afgeknotte boomstam; primitieve gevangenis (oorspronkelijk in Oost-Indië)’ -> Zuid-Afrikaans-Engels tronk, trunk ‘primitieve gevangenis’; Creools-Portugees (Batavia) trongkoe ‘afgeknotte boomstam; gevangenis’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † trou ‘boom’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tronk afgeknotte boomstam 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut