Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trompet - (koperen blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trompet zn. ‘koperen blaasinstrument’
Mnl. tronpet ‘trompet’ [1336-39; MNW], trompet ‘id.’ [1382-83; via MNW].
Ontleend aan Frans trompette ‘trompet’ [ca. 1280; Rey], een verkleinvorm van trompe ‘hoorn’ [1200-50; TLF], eerder al (misschien vanwege het soort geluid) ‘draaitol’ [1176; TLF], dat ontleend is aan een Germaans woord, bijvoorbeeld Oudhoogduits of Oudnederlands trumba ‘hoorn’, zie → trombone.
Aan Frans trompe is ook ontleend: mnl. trompe ‘bazuin’ [1325-35; MNW-R], later vnnl. tromp ‘mondharp’ [1573; iWNT] en ‘trompet’ [ca. 1605; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trompet [blaasinstrument] {trompet(te) [trompet(je), bazuin] 1350} < frans trompette, verkleiningsvorm van trompe (vgl. trom).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trompet znw. v., mnl. trompet, evenals mhd. trumbet (nhd. trumpete), mnd. trumpit, trummit (> nde. trompet, nzw. trumpet) < fra. trompette, verkleinwoord van trompe.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trompet v., uit Fr. trompette, dim. van trompe: z. trom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trompet s.nw.
Tipe blaasinstrument.
Uit Ndl. trompet (al Mnl.).
Eng. trumpet, Fr. trompette.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

trompet’ (de, -ten), (ook, veroud.:) lusvormige ademwortel van mataki* (1). Een in het lage land veel voorkomende boom [t.w. mataki*], die op ongeveer 2 voet van den bodem zijdelings uitloopers uitzendt, die op bepaalde afstand weder wortels maken en zich over een groote afstand uitstrekken, zoodoende lussen vormende, trompetten genoemd, waarin men met de voet raakt als de grond onder water staat. Deze moeilijk begaanbare zwampen* heeten in Suriname trompetter-zwampen* of matakki-zwampen (Enc.NWI 671). - Etym.: De vorm van de lus doet denken aan het muziekinstrument dat t. heet. Vermoedelijk is vroeger ook ’trompetter’ gebruikt: Stedman (1796: 271) spreekt in het E van ’trumpeters’ en er is de samenst. trompetterzwamp (zie het cit.). - Opm.: Kappler (1854: 99) geeft de naam trompetboom, vermoedelijk ten onrechte, aan bospapaja* (Cecropia surinamensis).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

trompet: blaasmusiekinstrument; Ndl. trompet (Mnl. trompet), Hd. trumpete, Eng. trumpet, uit Fr. trompette, dim. v. trompe (v. tromp); v. ook trombas.

trompette: mv. v. trompet (q.v.); v. ook trombas, trompetter.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

trompet (Frans trompette)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trompet ‘blaasinstrument’ -> Indonesisch selomprét, slomprét, tarompét, terompét, trompét ‘Europese trompet; Javaanse schalmei’; Ambons-Maleis trompèt ‘blaasinstrument’; Boeginees turumpêta ‘blaasinstrument’;? Jakartaans-Maleis empèt-empètan ‘papieren trompet’;? Jakartaans-Maleis selomprèt, terompèt ‘blaasinstrument’; Javaans slomprèt, salomprèt ‘Javaanse schalmei’; Kupang-Maleis trompèt ‘blaasinstrument’; Madoerees tarompet, salompret ‘blaasinstrument’; Makassaars tûrumpêta, tûrumbêta, tarûmpé ‘blaasinstrument’ (uit Nederlands of Portugees); Menadonees trompèt ‘blaasinstrument’; Minangkabaus terompet ‘blaasinstrument’; Soendanees tarompet ‘Soendanese schalmei’; Ternataans-Maleis trompèt ‘blaasinstrument’; Petjoh slomprèt ‘blaasinstrument’; Singalees turampeṭṭu-va ‘blaasinstrument’; Negerhollands trompeet, trompet ‘blaasinstrument’; Papiaments tròmpèt ‘blaasinstrument; bepaald kruid (ipomoea nil)’; Sranantongo trompèt ‘blaasinstrument’; Surinaams-Javaans slomprèt ‘blaasinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trompet blaasinstrument 1350 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2293. De(groote) trom roeren

Vgl. nog De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1 k. 1: Het comité de politique nationale bleef de groote trom wel roeren, maar deze kermistent trok weinig publiek.

of op de groote trom slaan, eig. door middel van het slaan op een (groote) trom de aandacht wekken; fig. iets alom, vooral in couranten en op vergaderingen, bekend maken; met veel drukte en ophef van iets gewagen; vgl. iets aan de groote klok hangen (no 1184); fr. faire battre le tambour, publier qqch; battre la grosse caisse, reclame maken; De Arbeid, 9 Mei 1914, p. 1 k. 3: Moeten ook de modernen niet evengoed als wij bij een staking op de groote trom slaan om aan centen te komen? 11 April 1914, p. 3 k. 4: Laat men met de a.s. Paaschdagen en daarna flink op de groote trom slaan. Geld is op heden de ziel van den strijd; Nkr. VII, 29 Dec. p. 5: Geen nood, de groote toovenaar (Dr. A. Kuyper) hoe roerde hij de trom en tooverde het bedenkelijk punt tot deel van Gods ordening om; De Telegraaf, 28 Nov. 1914 (avondbl.), p. 9 k. 2: In dezen tijd slaat ieder op de trom; Kippeveer, I, 48: Ik heb niet op de groote trom geslagen; Nw. School, VII, 361: En dan komt weer de een of andere lastige rustverstoorder en die roert er de trom over; De Kampioen, XXXI, 118: Toch ging het toentertijd veel gemoedelijker dan thans; er kwamen veel minder menschen bij te pas en de groote trom werd er niet voor geroerd; Handelsblad, 2 Juni 1915, p. 2 k. 6: Al gaat men nu niet met de groote trom rond, toch zal het zaak zijn voor Duitschland de stille verontwaardiging van Amerika niet te bot te woord te staan; De Vrijheid, 28 Mei 1924, 3de bl. k. 2: De kerkelijke partijen hadden geducht de anti-socialistische trom geroerd; Haagsche Post, 13 April 1918, p. 417 k. 4: En wat hem tot een hoogst beminnenswaardig kunstenaar maakt: hij heeft nooit de groote trom der reclame geroerd. Syn. de trompet steken, vgl. o.a. Handelsbl. 6 Juli (O) 1924, p. 9 k. 2: Van de reclametrompet over Pola gestoken, kan men alles zeggen, behalve dat hij schor was; vgl. fr. faire sonner la trompette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut