Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trommel - (slaginstrument; metalen doos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trommel zn. ‘slaginstrument; metalen doos’
Mnl. trommel ‘slaginstrument’ in de samenstelling vier ... trommelstocke ‘vier trommelstokken’ [1497; MNW]; vnnl. trombel, trommel ‘slaginstrument’ in de samenstellingen trommelslager [1517; iWNT] en keteltrombel ‘keteldrum’ [1525; iWNT], dan trommel in heeft men trommelijn geslagen [ca. 1530; MNW], Speel-luyden met ... trommelen [1538; iWNT], bij overdracht ook ‘metalen doos’ in Eene silvere trommel of suikerdoos [1672; iWNT], ‘gedeelte van het oor’ in Agter dit Trommel-vlies is een holte diemen de Trommel noemt, om datse dat instrument eenigsins gelyk is [1686; iWNT]; nnl. trommel ook ‘cylindervormig (onderdeel van) apparaat’ in Trommels, om Koffy te branden [1727; iWNT], Eene centrifuge ... bestaat in hoofdzaak uit eene om eene loodrechte as roteerende trommel [1910; iWNT].
Hetzij afgeleid van → trom met het oude verkleiningsachtervoegsel -el, zie → druppel, hetzij afgeleid van het frequentatief trommelen [eind 13e eeuw-midden 14e eeuw; MNW] van trommen, dat is afgeleid van datzelfde woord → trom. Het is ook mogelijk dat trommel evenals trom ontleend is, wrsch. via Middelnederduits trummel ‘trommel’, aan Middelhoogduits trumbel, trumel (Nieuwhoogduits Trommel), een verkleinwoord of frequentatiefvorm van Middelhoogduits trumbe, trumme ‘trompet; trom’, zie verder opnieuw → trom. De betekenis ‘metalen doos’ is overdrachtelijk in het Nederlands ontwikkeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trommel [slaginstrument] {1525} verkleiningsvorm van trom of geleend < hoogduits Trommel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trommel znw. v., laat-mnl. trommel m. (1497), Kiliaen trommel, vgl. mnd. trummel, laat-mhd. trumel (nhd. trommel) is een verkleinwoord van trom. — Het woord betekent in het nl. niet alleen een muziekinstrument, maar ook verschillende cylindervormige voorwerpen; of deze laatste bet. alle secundair zijn, is te betwijfelen; zie daarvoor nog: tromp.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trommel znw. Kil. trommel nog slechts = “trom”, in samenst. al laat-mnl. (1497). Evenals laat-mhd. trumel (nhd. trommel), mnd. trummel v. “trommel” van trom gevormd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trommel v., + Mhd. trumbel, trumel (Hgd. trommel: van trom).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1trommel s.nw.
1. Trom. 2. Vierkantige blikdoos vir die bewaring van goedere. 3. Silinder as onderdeel van 'n verskeidenheid toestelle.
Uit Ndl. trommel (1538 in bet. 1, 1672 in bet. 2, 1693 in bet. 3). Ndl. trommel is óf die verkleinw. van trom óf 'n direkte ontlening aan D. Trommel. In bet. 3 is die woord eerste in 1693 aangewend in toepassing op die outomatiese speelwerk van 'n klokkespel, spoedig in 1727 by uitbreiding op allerlei ander apparate.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1926 in bet. 2, 1936 in bet. 3).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

trommel. Als men een vreselijke hekel aan iemand heeft of als men iemand minacht, gebruikt men volgens Mullebrouck (1984) de verwensing hang een trommel aan uw gat, dan kunt ge rammelen! De betekenis is ‘bekijk het even, rot op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trommel ‘slaginstrument’ -> Indonesisch teromel, teromol, tromol ‘slaginstrument’; Ambons-Maleis tròmòl ‘slaginstrument’; Kupang-Maleis tròmòl ‘slaginstrument’; Madoerees talomar ‘slaginstrument’; Menadonees tròmòl ‘slaginstrument’; Ternataans-Maleis tròmòl ‘slaginstrument’; Berbice-Nederlands trombo ‘slaginstrument’; Sranantongo tromu, tromru ‘slaginstrument’.

trommel ‘blikken doos’ -> Deens tromle ‘blikken doos, wals’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch teromol, tromol ‘blikken doos’; Jakartaans-Maleis teromol ‘blikken doos’; Javaans tromol, tromel ‘blikken doos; metalen koffertje; portefeuille van leesgezelschap’; Keiëes taromul, termul ‘ijzeren koffer, grote blikken doos’; Madoerees taromēl ‘blikken doos’; Petjoh tromol ‘leesportefeuille, geleverd in blikken trommels’; Amerikaans-Engels † trummel ‘blikken doos’; Papiaments trònchi, tròmchi (ouder: trommeltje) ‘blikken doos’; Sranantongo tromu ‘opbergplaats, blik (doos)’; Arowaks tromere ‘blikken doos’; Karaïbisch tolonpulu ‘blikken doos’ ; Polynesisch tuluma ‘ronde, elliptische bus met een deksel’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

trommel. Het Nederlandse trommel is in de betekenis 'slaginstrument' uit het Duits geleend en voor het eerst in 1538 aangetroffen. In de zeventiende eeuw ging men het in het Nederlands overdrachtelijk gebruiken voor allerlei cilindervormige voorwerpen, zoals voor een metalen doos om dingen in te bewaren. Het woord is in beide betekenissen aan andere talen uitgeleend. Zo heeft het Indonesische tromol zowel de betekenis 'slaginstrument' als 'bewaarblik'. In het Papiaments heeft tròmchi alleen de betekenis 'bewaarblik', terwijl Sranantongo tromu alleen 'slaginstrument' betekent.

In het Amerikaans-Engels is het Nederlandse trommel in het verleden bekend geweest in de betekenis 'bewaarblik'. Zo werd omstreeks 1900 het woord trummel omschreven als: 'An old word, derived from the Dutch, and still lingering in nyc [New York City] and surroundings in the sense of a round tin box used for cake or bread'. Inmiddels is het woord uit het Amerikaans-Engels verdwenen, hoewel het wellicht nog in dialecten is blijven voortleven.

Veel bijzonderder is echter dat het Nederlandse woord trommel is uitgeleend aan enkele Polynesische talen - talen die gesproken worden op eilanden in de Grote Oceaan. Dat blijkt uit twee artikelen die de taalkundigen Paul Geraghty en Jan Tent hebben gepubliceerd. Het is zeer verrassend dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in Polynesische talen: Nederlanders hebben daar immers nooit gebieden bezeten of er zelfs maar gewoond. Interessant genoeg zijn de Nederlandse leenwoorden te herleiden tot enkele verkenningstochten die Nederlandse zeevaarders in het verleden hebben gemaakt langs deze eilanden. Zo zochten Willem Schouten en Jacob Lemaire tussen 1615 en 1617 de weg naar Indië door de Straat van Lemaire en langs Kaap Hoorn op de zuidpunt van Vuurland, en daarbij deden zij enkele Polynesische eilanden aan. Abel Janszoon Tasman en F.J. Visscher bezochten in 1642-1643 enkele Polynesische eilanden en Jacob Roggeveen deed hetzelfde in 1721-1722. Vijf man van zijn expeditie deserteerden op een van de Tuamotu-eilanden.

De Nederlandse zeevaarders ruilden allerlei spullen met de eilandbewoners en gaven spullen weg. De spullen die de zeevaarders uit Europa hadden meegenomen, maakten kennelijk zeer grote indruk. Het gevolg hiervan was dat tot op heden op onder andere de eilanden Pukapuka, Tokelau en Tuvala het woord tuluma gebruikt wordt, dat teruggaat op Nederlands trommel 'bus'. Op de eilanden Tonga, Futuna, Samoa, Tahiti, Tokelau en Tuvalu kent men nog steeds het leenwoord pusa/puha of een variant daarvan, en op Tahiti piha, met betekenissen als 'koffer, doos, (dood)kist' - bron van deze woorden is het Nederlandse bus. Op de oostelijke Fiji-eilanden gaat waarschijnlijk het woord veleko terug op bijlke 'bijltje'; het woord is bekend geworden dankzij de reizen van Schouten en Lemaire of Tasman en Visscher. Aan de deserteurs van de expeditie van Roggeveen - die niet met lege handen weggegaan waren - is te danken dat men op Hawaï kope kent, teruggaand op Nederlands schop, en op Tahiti narreeda, ontleend aan Nederlands naald.

Zo blijkt dat zelfs kortstondige en oppervlakkige contacten geleid hebben tot het uitlenen van Nederlandse woorden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trommel slaginstrument 1538 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut