Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trombone - (koperen blaasinstrument, gewoonlijk met een schuif)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De woordgeschiedenis van trombone wordt behandeld in:

Het jaartal 1754 uit het WNT dat door drie van de hieronder geciteerde werken wordt overgenomen als oudste vindplaats van trombone is geen echt Nederlandse attestatie. Het verwijst naar een muzikaal woordenboek waar het vermeld wordt als Italiaans equivalent van bazuin of schuiftrompet. Feitelijk gebruik van het woord trombone wordt gedocumenteerd in de context van het fanfareorkest als Frans leenwoord uit het begin van de 19e eeuw.

De eerste attestatie in het Italiaans waarin uit de beschrijving ondubbelzinnig blijkt dat we met een schuiftrompet te maken hebben is uit 1528 bij Castiglione, Il Cortigiano.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trombone zn. ‘koperen blaasinstrument, gewoonlijk met een schuif’
Nnl. Trombone “een bazuin of schuiftrompet” [1754; iWNT].
Ontleend, mogelijk via Frans trombone ‘trombone’ [1703; Rey], eerder ook trombon ‘soort trompet’ [1573; TLF], aan Italiaans trombone ‘soort grote lage trompet’ [voor 1647; DELI], eerder al ‘grote trompet’ [voor 1400; DELI], een afleiding met het vergrotingsachtervoegsel -one van tromba ‘trompet’ [1300-13; DELI], dat mogelijk via Provençaals tromba ‘id.’ ontleend is aan een Germaans woord als Oudnederlands drumba, trumba ‘trompet, hoorn’ [10e eeuw; W.Ps.] of Oudhoogduits trumba ‘id.’. Deze woorden waren in oorsprong mogelijk klanknabootsend, zie → trom.
Voor trombone in zwang kwam, was schuiftrompet [1648; iWNT kornet III] de benaming van het instrument. In het BN wordt met trombone een ‘ventieltrombone’ bedoeld, terwijl een schuiftrompet er een schuiftrombone heet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trombone [schuiftrompet] {1754} < italiaans trombone, van tromba [trompet], uit het germ., vgl. oudhoogduits trumba, trumpa, klanknabootsend gevormd (vgl. trom) + de vergrotende uitgang -one.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trombone znw. v., eerst nnl. òf rechtstreeks òf over het fra. < ital. trombone, met vergrotend suffix van tromba ‘trompetʼ. — Zie: trom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trombone znw., nog niet bij Kil. Uit it. trombone (augmentativum van tromba; zie trom), misschien via’t Fr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

trombone (Italiaans trombone)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trombone ‘blaasinstrument’ -> Indonesisch trombone ‘blaasinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trombone blaasinstrument 1754 [WNT] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal