Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trog - (langwerpige bak, voederbak, vore)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trog zn. ‘langwerpige bak, voederbak, vore’
Mnl. trog ‘bak’ [1240; Bern.]; nnl. den diepen trog, die van de westkust van Bougainville naar de zuidkust van Nieuw-Pommeren moet loopen [1910; NRC], een z.g. trog van lage luchtdrukking, die zich van IJsland tot Centraal-Europa uitstrekte [1935; Vaderland].
Os. trog (mnd. trog); ohd. trog (nhd. Trog); nfri. trôch, trôge; oe. trog (ne. trough); on. trog (nzw. tråg); < pgm *trugá- ‘trog’.
Pgm. *trugá- gaat met grammatische wisseling terug op pie. *drukó-, een velaaruitbreiding van de grondvorm *dru-, de nultrap van *dreu- ‘boom, hout’ < pie. *dreu-, zie → teer 1. De trog is dus genoemd naar het materiaal waaruit deze oorspr. werd vervaardigd.
Daarnaast staat een n-stam *drúk-ōn (genitief *druk-n-ós) ‘houten voorwerp’, waaruit pgm. *truhō (genitief *trukkaz) en vervolgens door paradigmatische analogiewerking (zie Kroonen 2008) nieuwe n-stammen *truhōn- (ohd. truha ‘houten kist’, nhd. Truhe), *trukkōn- (Zwitsers-Duits trukcha) en *trukōn- (Zwabisch truche).
De algemene betekenis van trog in alle Germaanse talen is onveranderd gebleven. Een trog is een langwerpige bak, van boven wijder dan van onderen, oorspr. van hout, en gebruikt als voederbak, waterbak, deegbak e.d. Bij uitbreiding worden ook allerlei andere trogvormige zaken trog genoemd. Bekend zijn vooral de meteorologische trog ‘uitloper van een lagedrukgebied’ en de geologische trog ‘smalle, diepe kloof in de oceaanbodem’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trog* [(voer)bak] {troch, trog 1201-1250} middelhoogduits troc, oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels, oudnoors trog, vgl. iers drochta [tobbe]; van dezelfde stam als het tweede lid in hesselteer [haagbeuk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trog znw. m., mnl. troch m., os. ohd. oe. trog m. (ne. trough), on. trog o. ‘trog, bakʼ. — Daarnaast ohd. truha (nhd. truhe) en truccha. — Idg. grondvorm *drú-ko- en *dru-kó-, vgl. oiers drochta ‘houten kuipʼ; een afl. van de idg. wt. *deru: dreu ‘boomʼ (IEW 216).

Daarnaast staan nog oe. trīeg (ne. tray) ‘trogʼ, on. treyjasǫðull ‘pakzadelʼ, ozw. trö ‘korenmaatʼ van grondvorm *traujōn; vgl. nog gr. dro(u)ítē ‘kuipʼ, oi. droṇa ‘trogʼ. Voor de dialectische verdeling der woorden voor de voedertrog (zoals zomp, zeuni, zeuning) zie I. Habermehl, Taalatlas afl. 1, 11.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trog znw., mnl. troch (gh) m. = ohd. (nhd.), os., ags. trog m. (eng. trough), on. trog o. “trog, bak”. Wsch. idg. *dru-qó- of *dru-ḱó- “houten bak”. Van het bij teer I besprokene *derewe- “hout”, waarvan ook ags. trîeg o. (eng. tray) “trog” (germ. *trau-ja-) = ozw. trø̂ o. “1/6 ton”, verder on. treyju-, trŷju-sǫðull m. “een soort zadel” (naast trog-sǫðull) en buiten ’t Germ. ier. drochta “vat, tobbe”, gr. droítē “kuip, badkuip, doodkist” (drowitā), oi. droṇa- “trog, kuip”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trog m., Mnl. troch, Os. trog + Ohd. troc (Mhd. id., Nhd. trog), Ags. trog (Eng. trough), On. trog (Zw. tråg, De. trug): een afleid. met abl. van *trie = boom (z. hesselter).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trog s.nw.
1. Tipe bak, veral voerbak vir diere. 2. (weerkunde) Uitloper van 'n laagdrukgebied.
In bet. 1 uit Ndl. trog (al Mnl.). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. trough (1882). In gewestelike Ndl. is bet. 1 ook bekend onder die benaming zeunis. In vergelyking met Ndl. trog is dit die woord "met de kennelijk meest 'boerse' kleur" (Kloeke 1950: 166). Dit is dus interessant dat zeunis glad nie in Afr. voorkom nie.
Ndl. trog gaan terug op 'n Indo-Germaanse stam met die bet. 'boom', en die oorspr. bet. van trog is 'uit 'n boom vervaardig'.
D. Trog, Sweeds tråg.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

trog: bak, (veral) voerbak v. varke; Ndl. trog (Mnl. troch), Eng. trough, verb. m. Eng. tray onseker, maar nie uit te sluit nie.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

trog: (vnl. jeugdtaal) dikke vrouw. In deze betekenis vermeld door Hoppenbrouwers. In de zestiende eeuw was vuijlen troch een scheldwoord voor een man.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Trog (Hgd. Truhe), afl. van ’t oude trie, Idg. dru = boom; zie Teer. Het bet. oorspr.: de uitgeholde boom, die nog in sommige streken als watertrog (drinkbak) voor ’t vee dient.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trog* (voer)bak 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut