Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

troep - (menigte, groep militairen; rommel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

troep zn. ‘menigte, groep militairen; rommel’
Mnl. trop ‘menigte van mensen of dieren’ in een trop van propheten [1285; VMNW], in eenen trop ... in die weide ghinghen [1285; VMNW]; vnnl. troupe, ook ‘aantal manschappen, legerbende’ in zijn troupe coemt int midden van den winter [1583; WNT], troepe ‘menigte; kudde’ [1599; Kil.], troep in dat 'er eenighe Krauwaten onder de troep (van gasten) waren [1633; WNT]; nnl. ook ‘groot aantal’ in ze heeft acht en veertig knoopjes aan haar japon ... wat 'n troep hè? [1900; WNT], ‘rotzooi, rommel’ in 't is een troep [1887; WNT].
Ontleend aan Frans troupe [1538; Rey], ouder trope ‘groep soldaten, korps’ [1477; Rey], eerder al ‘groep mensen die samenwerking zoekt en eensgezind handelt’ [ca. 1220; Rey], oorspr. ‘(in vergadering bijeengekomen) groep’ [1178; Rey], ontleend aan middeleeuws Latijn troppus ‘kudde’ [ca. 700; Rey]. De verdere herkomst is onzeker: wrsch. is het ontleend aan een Frankisch grondwoord *throp ‘menigte, (in vergadering bijeengekomen) groep mensen’ > Frans trop ‘te veel’.
Gewestelijk is trop nog bekend, o.a. in Noord-Brabant. Voorts Afrikaans, Fries trop. De betekenis van troep ‘rotzooi’ is ontstaan in het Nederlands, via die van ‘(ongeordende) menigte’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

troep [menigte, bende] {1583, ouder trop 1285} < frans troupe, middeleeuws latijn troppus, uit een germ. woord voor ‘menigte’, waarbij dorp, terp behoren (vgl. ook frans trop [te veel]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

troep znw. m., Kiliaen troepe ‘schaar, menigteʼ < fra. troupe. Daarnaast staat ofra. trop (vgl. mlat. troppus ‘kuddeʼ in de lex Alam.), waaruit ontleend zijn mnl. trop m. (vgl. nnl. dial. NBrab. en Zuidafr. trop ‘troepʼ), fri. trop ‘kleine menigteʼ. Men voert deze woorden op ofrank. *þvop ‘menigteʼ terug, waarvoor zie: dorp.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

troep znw., sedert Kil.: troepe “turba, grex”. < fr. troupe. Mnl. trop (pp) m. “troep” (nog dial., o.a. NBrab., ook Zuidafrikaansch trop “troep” en fri. trop “kleine menigte”) komt eer van mlat. troppus “bende, troep”. Ook elders ontleend. De rom. woordgroep wordt wel uit het Germ. afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

troep m., Mnl. troep, trop, gelijk Hgd. truppe, uit Fr. troupe, dat kan ontstaan zijn uit Lat. turba (z. troebel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tróp (zn.) menigte; Vreugmiddelnederlands trop <1285> < Frans troupe.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

troep s.nw.
1. Gesamentlike manskappe. 2. Geselskap toneelspelers, sangers, ens. 3. Soldaat sonder rang, dienspligtige.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. troep (1583 in bet. 1, 1701 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Ndl. troep het oorspr. 'n groep mense m.b.t. die krygswese aangedui, later by uitbreiding nie-militêre groepe in die sin van 'n bepaalde groepering, en het ouer trop in die kultuurtaal verdring. Of bet. 3 ook invloed ondergaan het van S.A.Eng. troopie, of omgekeerd, is nie duidelik nie.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die afleiding troepie (1972 in bet. 3).

trop s.nw.
1. (t.o.v. mense) Menigte, groep. 2. (t.o.v. diere) Menigte, kudde. 3. Groot hoeveelheid, baie van iets.
Uit Ndl. trop (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1621 in bet. 3). Ndl. trop, wat vroeër in die skryftaal alg. voorgekom het, is later grootliks deur troep vervang, en kom tans hoofsaaklik gewestelik, veral in die Ooste en Suide, voor (WNT). Trop kom al van vroeg af voor, bv. by Van Riebeeck (WNT, Kloeke 1950: 293), Frederick de Smit, 1662 - 1663 (Kloeke 1950: 310) en in ou Kaapse hofstukke (Scholtz 1972: 73).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die samestelling tropsluiter (1926).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

troep I: doeb. v. trop, musiek-/toneelgeselskap; Ndl. troep (by Kil troepe, “menigte, skare”) uit Fr. troupe, “bende, groep, hoop, skare”, v. ook trop en Kloe HGA 293, 307, 310.

troep II: soldaat; misk. as ekv. geabstr. uit mv. Ndl. troepen, Afr. troepe, ook Eng. troops, maar Eng. trooper kon meegewerk het aan Afr. gebr. v. troep in ekv. en as “soldaat”; vgl. troep I en trop.

trop: doeb. v. troep I, groot aantal, groep, menigte, skare; SNdl. en dial. Ndl. trop (Mnl. trop), wsk. uit Ll. troppus, “kudde”, naas troep uit Fr. troupe, “menigte” – by vRieb o.a. “een trop soldaten”, vgl. Kloe HGA 293, 307 en 310.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

troep (Frans troupe); (4000 -en) (vert. van Engels 4000 troops)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Troep, van ’t Fr. troupe, dat misschien ontleend is (met metathesis) aan ’t Lat. turba (spr. toer ba) = menigte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

troep ‘menigte, bende’ ->? Duits Trupp ‘menigte’; Ambons-Maleis † trop ‘herendiensten’; Javaans trup ‘menigte; behorende bij’; Soendanees trup ‘onderdeel van een district met kampongs, gehuchten en hun grondgebied’; Negerhollands trop ‘bende, ongeordende groep personen of dieren’; Surinaams-Javaans trup ‘menigte, bende’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

troep menigte, bende 1583 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut