Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

troef - (belangrijke kaartkleur; troefkaart)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

troef zn. ‘belangrijke kaartkleur; troefkaart’
Mnl. troef ‘kaart die andere kaarten slaat’ in den hoichsten troeve of heeren [1522; WNT], ‘belangrijkste kaartkleur’ in herten is troef [1552; WNT], ‘iets van grote betekenis of extra waarde, belangrijke factor’ in daarom is het ook zeer waarschijnlijk dat Rusland ... nog een troef achteruit heeft gehouden [1901; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Vroegnieuwhoogduits Triumpf (Duits Trumpf) ‘kaart van de belangrijkste kaartkleur van die speelronde, waarmee andere kaarten geslagen kunnen worden’ [1541; Kluge21], letterlijk ‘de triomferende kaart(kleur)’, oorspr. ‘overwinning, triomf’ [1450-1500; Kluge21], dat wrsch. via bemiddeling van Frans triomphe ‘(kaart van de) hoogste kaartkleur’ [ca. 1482; Rey], oorspr. ‘overwinning’ [ca. 1174; Rey] ontleend is aan middeleeuws Latijn triumphus ‘hoogste kaartkleur’, klassiek Latijn triumphus ‘overwinning, triomf’. Zie → triomf.
De Nederlandse woordvorm wijst door de aanwezigheid van de oe-klank op ontlening uit het Duits, hoewel de oudste Duitse attestatie van jongere datum is dan de oudste Nederlandse. Het woord is mogelijk afkomstig uit een oostelijk dialect van het Nederlands, of via het Nederduitse truf(f), met assimilatie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

troef [kaart die andere kaarten slaat] {truyf, troef 1508} < hoogduits Trumpf < frans triomphe (vgl. triomf), dus ‘de overwinnende kleur’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

troef znw. v., sedert Kiliaen, wel uit een oostelijk dial. of nhd. trumpf (sedert de 16de eeuw), vgl. nnd. trump, tromp, ne. trump, een vervorming van triomf dus eigenlijk ‘de overwinnende kleur in een kaartspelʼ (zo in Duitsland sedert 1541 bekend).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

troef znw., sedert Kil. Evenals nhd. trumpf m. (sedert de 16. eeuw; > de., zw. trumf), eng. trump “troef” uit het rom. woord fr. triomphe, it. trionfo, spa. triunfo. De bet. “troef” uit “triomf, triomfeerende kaart”. Fr. triomphe (< lat. triumphus < gr. thríambos “bijnaam van Dionysos, feestlied, feestoptocht”) is in zijn oudere bet. ontleend als triomf (reeds bij Kil.; evenzoo triomferen ww.), waarnaast onder lat. invloed triumf (een internationaal woord). De wegval van de m in ndl. troef in een zoo late periode is opvallend; wsch. is het via ’t Hd. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

troef v., uit Hgd. trumpf, dat met Eng. trump, uit Fr. triomphe: z. triomf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1troef s.nw.
1. Kaarte van 'n bepaalde soort of kleur wat tydelik die hoogste waarde het. 2. Bepaalde kaart van die soort onder 1. 3. Iets wat van deurslaggewende belang in 'n sekere situasie is.
Uit Ndl. troef (1508 in bet. 1, 1522 in bet. 2, 1595 in bet. 3).
Ndl. troef uit D. Trumpf uit Fr. triomphe uit Latyn triumphus 'segetog, intog', ook 'oorwinning'. Troef beteken lett. 'oorwinnende kleur'.
Eng. trump.
Vgl. triomf.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

troef: s.nw. en ww., kaart v. wenreeks; so ’n kaart speel; uitoorlê; Ndl. (reeds by Kil) troef, Hd. trumpf, Eng. trump, via Fr. triomphe (vgl. It. trionfo, Sp. triunfo, Port. triumpho) uit Lat. triumphus, Gr. thriambos, “feestelike optog ter ere v. Bacchus; oorwinning”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

troef (Duits Trumpf)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Troef, met uitstooting der m, van ’t Fr. triomph (ons triomf) uit ’t Lat. triumphus = zege, overwinning. De troefkaart overwint de andere.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

troef ‘kaart die andere kaarten slaat’ -> Indonesisch teruf, truf ‘kaart die andere kaarten slaat; troeven (kaartspel)’; Ambons-Maleis truf ‘kaart die andere kaarten slaat’; Atjehnees trōb ‘kaart die andere kaarten slaat’; Boeginees tarûmpu ‘troef in het kaartspel, bijvoorbeeld in het Omi-spel’; Javaans drub ‘speelkaart’; Kupang-Maleis truf ‘kaart die andere kaarten slaat’; Makassaars tarûmpu ‘troef in het kaartspel, bijvoorbeeld in het Omi-spel’; Menadonees truf ‘kaart die andere kaarten slaat’; Ternataans-Maleis truf ‘kaart die andere kaarten slaat’; Singalees turumpu-va, turuppu-va ‘kaart die andere kaarten slaat’; Papiaments † troef ‘kaart die andere kaarten slaat’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

troef kaart die andere kaarten slaat 1508 [MNW] <Nederduits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2290. Zijne trekken (troeven of streken) thuiskrijgen,

d.w.z. op zijne beurt er inloopen; zijn loon krijgen (voor den trek, dien men een ander gespeeld heeft); mnl. sijn deel doen. In de 18de eeuw o.a. aangetroffen in het Boere-krakeel, 90:

 Me dunkt, maet Kees, jy krygt de trekken,
 Die je uitgedeeld hebt, schoon weer t'huis.

Zie ook Harrebomée I, 342 b; Handelsblad, 28 Januari 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 5: Omdat men er over verheugd is dat de Duitschers na hun aanval op de ‘versterkte’ Noordzeeplaatsen hun troeven hebben thuis gekregen; Nederland 1914, II, bl. 26: Heel goed, als de Ongure zijn streken eens thuis gekregen had; Ibsen, Een vijand van 't volk (Wereldbibl.), bl. 36: Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. In Twente: zine strekke thoes krîgen; gron. dat komt hom thoes, hij krijgt nog eens loon naar werken (Molema, 569); Joos, 73: de geleende broodjes zullen weerkeeren; fri. syn brea (brood) thus krije; vgl. hd. heimkommen; eng. to bring (or to thrust) home; his chickens came home to roost.

2291. Iemand troef geven,

d.w.z. slagen geven; ook iemand flink te woord staan, hem duchtig de waarheid zeggen, hem (af)troeven of overtroeven (no. 62; Tuerlinckx, 495; Antw. Idiot. 929; Villiers, 129); fri. troef opspylje; oantroevje, gevoelig aankomen; tatroevje, krachtig slaan. Vgl. Van Effen, Spect. IV, 1. Hoor vriend, sprak hy, ik heb niet gestudeert, en ik verzeker je dat onze pastoor jou wel anders troef zou geven op al jou redenen die je bijbrengt; Boere-krakeel, 189 en 190; Rusting, 141; Sewel, 798: Troef geeven (slaan), to beat; hy heeft helder troef gehad, he was soundly beaten; 608: optroeven (kastyden), to beat, to whip, to chastize. Deze uitdr. is ontleend aan het kaartspel, waarin de troef de kaart is, waarmede de andere kaarten genomen of geslagen kunnen worden. Vgl. het zuidndl. iemand een pandoering draaien (Leopold, 8) of geven en eene pandoering krijgen, een pak slaag krijgen; Ndl. Wdb. XII, 316; De Bo, 824: pandoer geven, - krijgen, slagen geven of krijgen; Schuermans, 742: iemand travans geven; De Bo, 1186: troef uitgaan, hard tegen iemand uitvaren; Molema, 530 a: van jas (= troefboer) kriegen, slaag of eene berisping krijgen. Van zich aftroeven, flink van zich af spreken, antwoorden; vgl. De Arbeid, 4 Maart 1914 p. 4 k. 3: Natuurlijk werd ik heftig bestreden. Evenwel ik troefde ook van mij af.

Eveneens zijn aan het kaartspel ontleend de uitdr. zijn laatsten troef uitspelen, hd. den letzten Trumpf ausspielen; eng. to play one's last trump, zijn laatste middel beproeven, waarvoor men in Zuid-Nederland volgens Tuerlinckx, 329 en Joos, 90 zegt zijn lesten knikker in de o zetten en vroeger bij ons zijn laatste brood bijzetten (Sart. I, 1, 59; Ndl. Wdb. III, 1553). Een hoogen troef uitspelen, een krachtige poging beproeven; vgl. Handelsblad, 28 Oct. 1923 (O), p. 10 k. 5: De regeering had gemeend een bijzonder hooge troef uit te spelen door haar lot aan onze verfoeide Vlootwet te verbinden. De troeven in handen houden, meester van het spel zijn, zorgen de baas te blijven. Geen troef verzaken, de gelegenheid niet laten voorbijgaan; zie E. Wolff-Bekker, Zieke Mietje: Die verzaakt geen troef als er een plaisierpartytje te nemen is. Armoede is troef, er heerscht voortdurend armoede, dat ook volgens Rutten, 236 b; Antw. Idiot. 1267; Teirl. 22; Claes, 243; Waasch Idiot. 662 b en Joos, 71 in Zuid-Nederland bekend is, en te vergelijken is met het is dalles (armoede) troef (in Groot-Nederland, 1914, 393); Rusting, 193: krabben, lollen, bijten was troef; Tydeman is troef (in Nkr. VII, 22 Febr. p. 2); rood is troef (in Nkr. VII, 18 Oct. p. 4); Die ziet, hoe bedrog en misleiding al jaren troef is geweest (Nkr. IX, 10 Juli 1915); Zij achten de vraag of in den Amsterdamschen raad reaktie troef zal zijn, dan wel de democratie den toon zal aangeven, van geen belang (Het Volk, 7 Juli 1915, p. 1 k. 1); Het Socialisme was in die dagen troef in het Noorden des lands (Het Volk, 16 Jan. 1914 p. 5, k. 4); Handelsblad, 26 April 1923 (O) p. 6 k. 3: Het zal een interessant stuk Roomsche machtspolitiek beteekenen, het uitspelen van een nieuwe zwarte troef, waarvan Mr. dr. Jan v. Best waarschijnlijk nog niet durfde droomen, toen hij vier jaar geleden zeide: Rome is troef. Het dial. hd. da ist Treff (= fr. trèfle), Schellen (= Maulschellen, maar ook in het kaartspel ruiten) Trumpf, daar vallen klappen, daar is schoppen troef, zooals onze voorouders zouden zeggen; da ist jetzt Dreck Trumpf, daar ziet het er slecht uit. Ook in Zuid-Nederland is de uitdr. troef geven (- krijgen) bekend (Antw. Idiot. 1267).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut