Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

treuzelen - (talmen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

treuzelen ww. ‘talmen’
Vnnl. treusselen ‘zich langzaam voortbewegen’ [1659; WNT]; nnl. treuselen, treuzelen ‘zich met beuzelarijen bezighouden’ in naar de kerk klungelen ..., op haar gemak met vroome kwezelkoussen teuten en treusele [1793; WNT], ‘talmen, dralen’ in aan 't werk! En niet getreuzeld! [1874; WNT], zij ... treuzelde met vertrekken [1941; WNT].
Herkomst onzeker. Mogelijk is het woord ontleend, bijv. aan Nederduits trüseln ‘langzaam rollen; onzeker lopen’. Het is in dat geval verwant met Nederduits Drüsler ‘sufferd’ en Engels (zonder het affectieve -(e)l) drowse ‘suffen, dutten’ (Vercoullie) en hoort dan bij dezelfde wortel als → treuren en druisen, zie → gedruis. Het ww. behoort wrsch. bij een groep van woorden met dr- of tr- aan het begin die met het begrip ‘traagheid’ is verbonden, zie → dralen.
Mogelijk (De Tollenaere, Vercoullie, WNT) bestaat er verband met het inmiddels verouderde ww. trijzelen ‘door een zeef laten lopen’, ouder trijselen [1589; Claes 1997] en in het Middelnederlands het ww. umbtryselen ‘ronddraaien’ [1477; Teuth.], waarvan de verdere herkomst onbekend is, maar dat identiek zal zijn met trijzelen ‘talmen’, ouder tryselen [1599; Kil.]. De overgang van trysel naar treusel is echter niet waarschijnlijk zolang er geen tussenvormen met lange -e- zijn gevonden (FvWS).
Met anlaut tr-: nnd. trüseln ‘struikelen, onzeker lopen’ en ‘langzaam rollen’; mhd. trollen (< *truzlōn) ‘met korte schreden gaan’ (nhd. trollen ‘slenteren; afdruipen’); ofri. trûzelje, truzelje ‘tuimelen, vallen’; < pgm. *truzlanan. Zonder frequentatieve -el: nhd. (dial.) treussen ‘talmen’. Met anlaut dr- en zonder frequentatieve -el: oe. drūsian ‘traag worden’ (ne. drowse ‘suffen, dutten’); de. drøse ‘luieren’. Daarnaast mnd. triseln ‘rollen’ (nnd. ook ‘talmen’); < pgm. *trizlōn-.
Volgens BDE is het Oudfranse ww. troller ‘rondtrekken, naar wild speuren’ [1561; Rey], eerder treller [1376; Rey], geleend uit het Germaans (zie bijv. Middelhoogduits trollen ‘met korte schreden gaan’). Middelengels trollen ‘slenteren’ [1387; BDE], ‘rollen, voortrollen’ [1425; BDE], Nieuwengels troll, later ook ‘met volle, rollende stem zingen, galmen’, is ontleend aan dit Franse ww. Volgens Rey en TLF is Frans troller, trôler echter ontwikkeld uit vulgair Latijn *tragulare ‘het spoor van het wild volgen’, dat is ontstaan uit Latijn trahere ‘trekken’ (misschien verwant met → dragen) via associatie met tragula ‘jachtgerei, vangnet’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

treuzelen* [talmen] {1659} vgl. oostfries trüseln [onzeker lopen], middelhoogduits trollen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

treuzelen ww. heeft als bijvorm trijzelen, vgl. mnd. triselen ‘rollenʼ, die Holthausen PBB 44, 1920, 482-3 verbindt met gr. drĩlos (< *drislos) ‘wormʼ (zie daarvoor: trillen). Het is echter niet nodig met W. de Vries Ts. 41, 1922, 203 treuzelen door o-uml. daaruit te laten ontstaan, want er zijn meer voorbeelden van een stam *trus, vgl. oostfri. trüseln ‘struikelen, onzeker lopenʼ, westf. trüseln ‘langzaam rollenʼ mhd. trollen (< *truzlōn) ‘met korte schreden gaanʼ, misschien ook on. troll ‘reusʼ. IEW 205 leidt deze woorden van een idg. stam *dreu af (waarvoor zie: treden), die hij plaatst naast *drā, der ‘lopen, stappenʼ vgl. oi. drāti ‘looptʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

treuren ww. Kil., mnl. trōren, trȫren. = mnd. trōren “treuren”. Ablautend met mnl. trûren (nog dial.) = ohd. trûrên “de oogen neerslaan, treuren” (nhd. trauern), mnd. trûren “treuren”. Naast wgerm. trū̆r- < trū̆z- < idg. drū̆s- staat een anlautvariant met wgerm. d: ags. drêorig “bedroefd, droevig” (eng. dreary). De bet. van treuren laat een combinatie met treuzelen (nog niet bij Kil.) toe, een ook ndd., fri. ww. Ook hiernaast een anlautvariant met d (wellicht ouder; tr- naar trijzelen? naar traag?): ags. drûsian “traag, minder krachtig worden” (eng. to drowse), zwits. treussen “lang met iets bezig zijn”, ndd. drüsler, dröser “sufferd”, de. drøse “luieren”. De beoordeeling van al deze vormen is lastig; wellicht moeten we van twee bases, idg. drū̆s- en dhrū̆s-, uitgaan. De laatste kan identisch zijn met de basis van os. driosan, ags. drêosan, noorw. dial. drjosa, got. driusan “vallen” (zie verder bij druisen), van drū̆s- kan ook russ. drýchnuť “maffen” komen en hoogerop kunnen lat. dormio, gr. darthánō “ik slaap”, ksl. drěmlju, drěmati “sluimeren”, oi. drā́ti, drā́yate “hij slaapt” verwant zijn; alles zeer onzeker. Voor de wisseling tr-: dr- vgl. nog Antw. truten, Zaansch, wfri. trutten: gron. drutten “treuzelen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

treuzelen. Een andere combinatie is bij trillen Suppl. vermeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

treuzelen ono.w. (talmen, ziften), + Ndd. truseln, en met ander anlaut Ndd. drüsler = sufferd, dial. Hgd. treussen = talmen, Ags. drúsian (Eng. to drowse) = traag worden, De. drøse = luieren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

dreuzelen (DB, P), ww.: sukkelen, krasselen (DB), niet gedijen (P). Var. van Ndl. treuzelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

treuzelen ‘talmen’ -> Fries treuzelje ‘talmen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

treuzelen* talmen 1659 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut