Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trekken - (naar zich toe halen, slepen; gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trekken ww. ‘naar zich toe halen, slepen; gaan’
Mnl. trecken in getrocken. bi den hare ‘aan het haar getrokken’ [1237; VMNW], trecken [1240; VMNW], ook wel met een zwakke verleden tijd in Ende es in Vrancrike getrect ‘en is Frankrijk binnengetrokken’ [1300-25; MNW].
Oorspr. een zwak causatief van mnd. trecken; mhd. trecken; ofri. trekka (nfri. trekke); < pgm. *trakjan- ‘trekken’. Daarnaast bestond ook mhd. trechen ‘trekken, stoten, schuiven’ < pgm. *trekan-.
Herkomst onbekend. Misschien te verbinden met Lets dragāt ‘rukken, trekken, schudden’ (IEW 209-210) en → dragen, dat een oorspr. betekenis ‘trekken’ lijkt te hebben gehad. De t- aan het begin levert dan echter problemen op.
trek zn. ‘ruk; tocht; lust’. Mnl. trec ‘lijn, streep’ in dat dar liden ouer den trec ‘dat over de streep durft gaan’ [1287; VMNW], in eenvuldeghen trecke ‘in eenvoudig verlangen’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. op den treck ‘aan het optrekken’ [1572; iWNT]. Afleiding bij trekken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trekken* [naar zich toe halen, naar een andere plaats gaan] {trecken 1201-1250} oorspr. een causatief naast middelnederlands treken, middelnederduits, middelhoogduits trecken, oudfries trekka; etymologie onduidelijk, hoewel men verbinding legt met russisch djorgatʼ en lets dragāt [rukken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trekken ww., mnl. trecken (sterk en zwak) en trēken (sterk) ‘trekken, plaatsen, brengen, zich begeven enz.ʼ Voor de vorm met -kk- vgl. mnd. trecken (sterk, zwak), mhd. trecken (zwak) ‘trekken, slepen, talmenʼ, owfri. trekka ‘trekkenʼ, voor die met -k- zie mhd. trechen ‘trekken, stoten, schuiven, door omwoelen bedekkenʼ. — russ. trekat ‘langzaam trekkenʼ (vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 100).

Men verbindt twijfelend met lett. dragât ‘rukken, trekken, schuddenʼ (IEW 209-210). Kan men niet eerder denken aan een substraatwoord; het hunebeddenvolk moet wel een woord voor het slepen van de steenblokken hebben gehad? — Uit de stam trek is overgenomen ne. track ‘een schip van de oever af voorttrekkenʼ (sedert 1727), maar reeds 1632 trackboat (vgl. Bense 504), trekschuit (sedert 1696, vgl. ibid. 512).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trekken ww., mnl. trecken (zwak en sterk) naast trēken (sterk) “trekken (trans. en intr.), plaatsen, brengen, zich begeven enz.”. Bij trēken mnl. trēke, treec m. v. “list, streek”. Mnl. trēken = mhd. trëchen (sterk) “trekken (intr. en trans.), schuiven, stooten, door omwoelen bedekken”. Mnl. trecken is een – oorspr. zwakke – causatiefformatie = mhd. trecken (zwak) “trekken”, mnd. trecken (zwak en sterk) “trekken (intr. en trans.), sleepen, talmen”, owfri. trekka (3. pers. treght) “trekken (een mes)”. Ook mnd. en owfri. ’t znw. trek m. “tocht”, mnd. ook speciaal “veldtocht, plechtige optocht”. Oorsprong onzeker. Men combineert russ. dërgať “rukken”, dat bij de basis van teren I hoort; dat ook trekken hierbij hoort is mogelijk, maar de directe afl. van trekken en russ. dërgať van een basis dereg- is niet wsch. (zie bij tergen). Mnd. trēken “rillen, gruwen” mag geen aanleiding zijn om russ. drožú, drožáť “beven” te combineeren: dit heeft wsch. idg. u.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

trek, trekken znw. resp. ww. Misschien is lett. dragât ‘slaan, rukken’ verwant; zie echter bij dragen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trekken o.w., Mnl. trecken + Mhd. trecken (Nhd. trecken), Ofri. trekka: intensief van Mnl. treken, Os. trekan + Ohd. trehhan (Mhd. trechen): niet verder na te gaan. Uit trekken komt Fr. tricher = bedriegen in ’t spel, met welke bet. het subst. treek te vergelijken is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

trèkke (ww.) 1. trekken 2. tochten; Vreugmiddelnederlands trecken <1237>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2trek ww.
1. Krag uitoefen om iets in jou rigting te bring. 2. Beweging met 'n liggaamsdeel maak, sowel willekeurig as onwillekeurig. 3. Aantrekkingskrag uitoefen, aantrek, lok. 4. Voortbeweeg, sowel voorwerpe as mense en diere. 5. Lyk na. 6. (t.o.v. mense) Van een plek na 'n ander gaan, weggaan. 7. Met kookwater afskei, 'n aftreksel maak. 8. Deur met 'n skryfding oor 'n oppervlakte te beweeg, iets laat ontstaan. 9. Geld uit 'n rekening neem. 10. (t.o.v. voëls, visse en sekere ander diere) Van een plek na 'n ander weggaan. 11. Suiging van wind, bv. in 'n kaggel of 'n vertrek, vertoon. 12. Reëlmatig geld ontvang, bv. rente. 13. Suig, bv. aan 'n pyp, of met 'n pomp water uit die grond.
Uit Ndl. trekken (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1526 in bet. 6, 1552 in bet. 7, 1560 in bet. 8, 1573 in bet. 9, 1582 in bet. 10, 1620 in bet. 11, 1635 in bet. 12, 1710 in bet. 13). Van bet. 6 meld die WNT dat dit verouderd is en behalwe in laten trekken minder gewoon. In vroeë Afr., as gevolg van die kolonisering van die binneland, is die woord alg. in hierdie bet. gebruik, en word deur sowel Pannevis (1880) as Mansvelt (1884) vermeld. Die woord is so alg. dat dit trouens in verskeie bet. in S.A.Eng. opgeneem is.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1820 in bet. 1, 1835 in bet. 6) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1850 in bet. 10, 1945 in bet. 7), ook in die afleiding trekker (1846).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

trekken (trok, heeft getrokken), (ook:) discussiëren, i.h.b. redetwisten. We hebben afgesproken om niet meer met hem te trekken. Zodra hij weer met die vervelende dingen zou beginnen, zou hij een pakslaag* van ons krijgen (Hijlaard 70). - Etym.: Mogelijk van ’halen* en trekken’ (z.a.).
— : zich trekken, zich uitrekken. - Syn. lui trekken*.
— : lui trekken (trok lui, heeft lui getrokken), (niet alg.) zich uitrekken. - Etym.: Lett. vert. van S ari lesi (ari = trekken; lesi = lui). - Syn. zich trekken*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trekken ‘naar zich toe halen; naar een andere plaats gaan’ -> Engels trek, trekking ‘(per ossenwagen) reizen; voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden maken’ ; Engels track ‘een vaartuig jagen’; Duits trecken ‘wegtrekken’; Duits Trekking ‘voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden’ ; Deens trekke, trekking ‘voettocht in moeilijk toegankelijke gebieden maken’ ; Deens trække ‘naar zich toe halen, slepen, aantrekken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors trekke ‘naar zich toe halen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans trekking ‘voettocht in moeilijk toegangelijke gebieden’ ; Italiaans trekking ‘trektocht in moeilijk toegangelijke gebieden’ ; Russisch trëkat' ‘in de maat zingen bij het trekken en heffen van scheepsvrachten; iets langzaam, voorzichtig trekken’; Javaans trèk, setrèk ‘naar zich toe halen’; Kupang-Maleis tarek ‘naar zich toe halen’; Menadonees tarèk ‘iemand een oorvijg geven’; Negerhollands trek, treek, trē ‘halen, te voorschijn halen, aftrekken’; Papiaments trèk ‘naar zich toe halen; naar een andere plaats gaan; samentrekken (van hout); als aftreksel doen ontstaan’; Sranantongo trèk ‘naar zich toehalen van geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trekken* naar zich toe halen, naar een andere plaats gaan 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

376. Dat kan de bruine (of bruin) niet trekken,

d.i. dat kan ik niet betalen, dat is me te duur. Onder de bruine moet worden verstaan het bruine paardVgl. het fri. de blauwe, de blauwbonte koe of het blauwgrijze paard.. Vgl. Harreb. I, 101 a: Dat kan de bruin niet trekken; dat kan graauw niet trekken, daar moet een bruin wezen; Bergsma, 172: Dat kan de broen neet trekken, dat kunnen we niet betalen: fri.: dat kin de brune net lûke (dêr moat de swarte by). In Zuid-Limburg: Dat kan mijne grijze niet trekken. Ook in Zuid-Nederland is deze zegswijze bekend, blijkens Waasch Idiot. 787 b; Antw. Idiot. 306: Dat kan den bruine niet trekken, mijne middelen laten niet toe om dat te bekostigen. Syn. is dat kan bles niet trekken (Draaijer, 43 a).

543. Aan het langste (of kortste) eind trekken,

d.i. het voordeel (of nadeel) hebben, er het best (of slechtst) aan toe zijn, het winnen (of verliezen). Deze uitdr. dateert uit de middeleeuwen, toen men zeide: om 't lanxte trecken, zien wie de sterkste is (Mnl. Wdb. IV, 103) en aen 't cortste ende bliven, dat in Reynaert II, vs. 522 voorkomt. Men zal den oorsprong der uitdr. moeten zoeken in de vroegere gewoonte van te loten of een twist te beslechten door uit eenige stroohalmen te trekken. Wie den langsten halm trok, had het gewonnen. Vgl. het hd. das Hälmchen ziehen; den Kürzern ziehen; oostfri.: de körtste trekken; de.: at traekke dat korteste straa (Nyrop, 126); in Zuid-Nederland: strootje (strooiken) trekken, tirer à la courte paille (De Bo, 1117; Rutten, 235 b; Schuermans, 694 a; Kinderspel, IV, 144-148Hatzfeld, 1656: Tirer à la courte paille, tirer au sort avec des brins de paille inégaux; ook: tirer au court fétu.; of lotje trekken, tuiken trekken (Antw. Idiot. 1273); in het mnl. muke tien (of treckenEen muke is een halm; zie het Mnl. Wdb. IV, 2004., loten, dat ook in het mnd. voorkomt, en in het dialect van Bremen de muken tên, losen, vermittelst ungleich langer stäbe oder halmen, welche die losende ausziehen müssen (Brem. Wtb. III, 196 aangeh. bij Lübben); in de Bommelerwaard: pinneke steken of trekken (V.d. Water, 118). Zie verder Sart. III, 1, 57: al willen wy aen 't langhste eynt wesen; Campen, 94: hy waer geerne ant breedste eynde; Van Moerk. 67: aen 't langste eind' blijven; Tuinman I, 238; Teirlinck, 402: de langsten end, de schoonsten end vast hen, het meeste voordeel genieten; ook de slechtsten end vast hen en het fri.: hja tsjiere om 'e langste ein, zij twisten om het langste einde. Voor de verklaring zie ook Borchardt, no. 721; Schrader, 368-369; De Cock1, 114; Günther, 40. Synoniem in de Bommelerwaard: aan de achterste mem (speen) liggen, aan 't kortste eind trekken (V.d. Water, 107).

1351. Van leer trekken,

d.w.z. beginnen te vechten; 16de eeuw: van scheede trekken; hd. vom Leder ziehen; oostfri. fan lër trekken. Onder leer, eig. leder, moet men verstaan de leeren scheede, waarin de sabel gestoken is. Zie Plantijn: Het sweerdt van leder trecken, desgainer une espee, educere e vagina gladium; Kiliaen: Leder, vagina; van leder trecken, educere gladium e vagina, ensem stringere; ducere ensem, mucronem, ferrum. Zie o.a. Huygens IV, 201; Brederoo III, 37; Verm. Avant. II, 162: Dit gesegt hebbende, trok hy van leder, vallende my, met het rapier in de hand, aan; Halma, 306: Van leer trekken, den degen of het mes trekken, en découdre, dégainer; Sewel, 441; Tuinman I, 279; Schoolmeester, 245: Wat trekken die vlooien hier ongemanierd van leer; Nkr. I, 15 Sept. p. 3; IV, 11 Dec. p. 2; V, 22 Jan. p. 3 (van leer geven); Ndl. Wdb. VIII, 1209; XIV, 323; enz. Schuermans, 339 deelt mede, dat deze uitdr. in Limburg beteekent: opdokken, de beurs trekken, over de brug komen; en: de vlucht nemen, loopen gaan. Vgl. ook Rutten, 130: (van) leer krijgen, slagen krijgen; Teirl. II, 204; van 't leer krijgen, slaag krijgen, gefopt, bedrogen zijn; verliezen (in 't spel); ook iemand van ('t) leer geven, waar eerder aan een leeren riem moet worden gedacht; vgl. no. 1350.(Aanv.) Zie Ndl. Wdb. XIII, 1814.

1353. Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken,

d.w.z. eene goede daad, een goed voorbeeld helpt meer dan een goed woord, eene goede vermaning. Het spreekwoord komt in de 18de eeuw voor bij Tuinman I, 229: De kaars die voor gaat, licht best, dit komt overeen met Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken; zie verder C. Wildschut V, 271: Voorbeelden trekken, leeringen wekken, gelijk mijne oude vriendin te Rotterdam altoos spreekt; Harreb. II, 13; III, 277; Villiers, 72; syn. de leer dringt zeer, maar 't leven meer of de leer klinkt, maar 't leven dwingt (vgl. De Brune, 369: 't Sermoen dat klinckt, 't exempel dwinght; Harreb. II, 13 b).

1792. Peil trekken op iemand of iets,

d.i. staat maken op, gewoonlijk met de ontkenning op iemand (of iets) geen peil kunnen trekken, op iemand of iets geen staat kunnen maken, geen gissing kunnen maken; 17de eeuw: er niet op kunnen glozen.

De zegswijze is ontleend aan het zeewezen, waar men onder peilen verstaat het door middel van een peiltoestel, dat op het kompas in het horizontale vlak beweegbaar is, bepalen van de plaats, waar men zich op zee bevindt. Voor die peiling richt men zich op een vast punt, eene plaats, die met zekerheid bekend is (bijv. een vuurtoren), het peil genoemd. Men noemt dit in de peiling nemen (vgl. B.B. 10: Iederen keer als hij naar het kompas keek en het vuur van Hilligermond in de peiling nam). Iets peilen, iets in de peiling nemen, peil trekken op iets beteekent zijn bestek maken; zijne raming, gissing, berekening maken op iets; zoo kan men een vuurtoren peilen, den hoek bepalen; de kust peilen, waarnemen en bepalen hoever zij van een schip is verwijderd en in welke richting zij ligt; vandaar overdrachtelijk: geen peil kunnen trekken op iemand, geen berekening kunnen maken op iemand, niet op iemand af kunnen gaan, niet op iemand kunnen vertrouwen, geen staat kunnen maken op iemand. In dezen zin komt de uitdr. in de 18de eeuw voor in het Boere-krakeel, 136: Daer op is nog gien peil te trekken; zie ook Harreb. II, 182 a; Nest, 29; Nederland, 1914, II, 8; Ndl. Wdb. XII, 930; Molema, 316: d'r is gijn pail op te trekken; Villiers, 97.

2282. Aan de touwtjes trekken (of zitten),

d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie no. 1991); vgl. in denzelfden zin de draden der politiek (zie Ndl. Wdb. III, 3178). Zie Nkr. V, 10 Juni p. 3:

 Mijnheer, mijn Hoofd heeft mij doen weten
 Dat ik voortaan mij niet meer mocht vermeten,
 Aan kinderen de kennis te verstrekken
 Wie in ons landje aan de touwtjes trekken.

Nkr. V, 24 Juni p. 6: Bram Kuyper, die goocheme spullebaas die trekt - achter 't scherm - aan de touwen; Het Volk, 6 Febr. 1914 p. 7 k. 2: Een stevig protest tegen het drijven van verschillende personen, die achter de schermen aan de touwtjes trekken, zou zeker wel op zijn plaats zijn geweest; 22 Juni 1914 p. 6 k. 1: Die zelfde hulde komt aan Michels toe, die als administrateur alle touwtjes in handen heeft, naar alle hoekjes van de wereld toe; 9 Juni 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten; De Arbeid, 18 Maart 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten, speculeeren op de onwetendheid van de massa. Aan het touwtje (of touwtjes) hebben, in zijn macht hebben; vgl. De Vrijheid, 9 Jan. 1924, 1ste bl. p. 4: Wel hebben de afgevaardigden der Ger. St. P. de broeders in den geloove aan het touwtje, om van aande-ketting-liggen maar niet te spreken; Groot-Nederland 1914 (Oct.) p. 443: Wij hebben de Beurs ook niet an touwtjes. En met kinderachtige dreigementen gaat 't fonds niet de hoogte in. Vgl. eng. to pull (on) the strings (or the wires); hd. die Fäden in der Hand haben; fr. c'est lui qui tient les ficelles, qu'on ne voit pas agir et qui fait agir les autres.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut