Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trede - (stap; gang; deel van een trap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

treden ww. ‘lopen’
Onl. tredan ‘(ver)trappen’ in Tradun mi fiunda mine allan dag ‘Mijn vijanden vertrapten mij de hele dag’ [10e eeuw; ONW]; mnl. (met metathesis) terden ‘(ver)trappen’ in Die yemen ... hef getorden met den uoeten ‘wie iemand met zijn voeten heeft getrapt’ [1237; VMNW], ook in de vorm treden als in ghetreden dod ‘dood getrapt’ [1285; VMNW], naast terden ‘lopen’ in hi sal leren terden stille ‘hij zal zachtjes leren lopen’ [1287; VMNW].
Mnd. treden; ohd. tretan (nhd. treten); oe. tredan (ne. tread); ofri. treda (nfri. trêdzje); < pgm. *tredan- ‘lopen’. Daarnaast ablautend *trudan- ‘id.’, waaruit: mnl. troden; on. troða; got. trudan. Vaak wordt hierbij verwezen naar een ohd. trottôn, dat echter een spookwoord lijkt, alleen ohd. trotōn ‘wijn persen’ is overgeleverd en dat is niet verwant. Mnl. troten ‘stappen, draven’ en ne. trot ‘id.’ zijn evenmin verwant, maar zijn ontleend aan Oudfrans troter [1130], dat wrsch. een Germaanse bron heeft.
Misschien af te leiden van de wortel pie. *dreu- ‘lopen’ (LIV 129) van drávati ‘loopt’, maar de etymologie is allesbehalve zeker. Zie ook → trap 1.
tred zn. ‘gang, stap’. Mnl. na haren trede ‘volgens de gewone gang van zaken’ [1400?; MNW], eyn hundert XXV schreden of trede ‘125 schreden of stappen’ [1477; MNW]; vnnl. Hy holt sijnen tredt ‘hij houdt zijn manier van lopen’ [1550; iWNT], ook tert ‘stap’ [1567; iWNT]. Afleiding van treden. ♦ trede zn. ‘deel van een trap; stap’. Mnl. trede of terde ‘pas, stap, schrede’ in ses sijnre treden ‘zes van zijn stappen’ [1406; MNW], ook ‘trede van een stoep’ in alle de terden van goeden witten steenen [1422; MNW]; vnnl. 12 ny treye ‘12 nieuwe traptreden’ [1511; iWNT], tradt oft trede ‘traptrede’ [1618; iWNT]; nnl. de eerste treê ‘de eerste trede’ [1727; iWNT]. Afleiding van treden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tred* [stap] {trede 1400} met metathesis middelnederlands terde, van treden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tred, trede, tree znw. m., mnl. trēde, terde m. v., mnd. tret, trēde ‘stap, danspas, wijze van optreden, levenspositie, treeʼ, mhd. trit m. ‘stap, dans(lied), voetzool, tree, voetspoor, wegʼ (nhd. tritt). — Afl. van treden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tree znww., mnl. trēde (terde, met metathesis) m. v. = mhd. trit m. “stap, dans(lied), voetzool, tree om op te stappen, voetspoor, weg” (nhd. tritt), mnd. trët, trēde m. “stap, danspas, wijze van optreden, levenspositie, tree (van een trap e.dgl.), uitgang van ’t huis, weg”. Van treden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

trej (zn.) trede; Middelnederlands trede <1400>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tred s.nw. (verhewe)
Tree (1tree 1).
Uit Ndl. tred (al Mnl.).
Eng. tread.

1tree s.nw.
1. Stap, skrede. 2. Trap (2trap 1). 3. Min of meer vaste lengtemaat, ongeveer 1 meter, d.i. die afstand tussen twee treë (1tree 1).
Uit gewestelike Ndl. tree (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1567 in bet. 3). Alg. Ndl. trede is 'n afleiding van die ww. treden. Die uitstoting van die d is 'zeer gewoon', 'n verskynsel wat ook 'eigen' is aan verskillende dialekte (WNT).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tree: afstand v. ong. 3 voet; (dim.) treetjie, loopvlak v. huis/stoep; Ndl. tred/trede/tree (Mnl. trede/terde), Hd. tritt, Eng. tread, hou verb. m. ww. Ndl. treden en Hd. treten, Afr. ook tree, asook m. Eng. trade, en langs ’n omweg m. Fr. (mntl. uit Germ.) s.nw. trot, “draf”, ww. trotter, “draf”, trottoir, “sypaadjie langs straat” (wu. weer Eng. trot en trottoir).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trede ‘sport van een trap’ -> Papiaments tret, tre, trechi ‘sport van een trap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tred* stap 1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut