Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

travalje - (hoefstal)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

travalje [hoefstal] {travaelge, travaille [hoefstal, kluister] 1351-1400} < frans travail [idem] < middeleeuws latijn trepalium [een martelwerktuig], van tri- [drie-] + pālus [paal]; op de vorming was travail [arbeid] van invloed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

travalje znw. v., mnl. travaelge, travaille ‘hoefstal, kluisters van dierenʼ, maar ook ‘kluistersʼ < fra. travail ‘noodstalʼ eig. ‘juk waarin de paarden bij het beslaan vastgemaakt wordenʼ < gallorom. *tripālium ‘uit drie palen bestaand folterwerktuigʼ bij lat. tripālis ‘uit drie palen bestaandeʼ. De latere bet. ‘arbeidʼ is dus ontstaan uit die van ‘marteling, kwellingʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

travalje znw. Reeds mnl. uit fr. travail “noodstal, travalje” (zie traven).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

travalje. Fr. travail wsch. uit *tripâlium (mlat. trepalium) bij lat. tripâlis ‘uit drie palen bestaande’ en dus niet bij de rom. woordfamilie van traven, waarbij wel eng. trave.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

travalje v., uit Fr. travail = 1. travalje 2. moeite, werk uit Mlat. *trabaculum, afgel. van *trabare (Fr. en-traver), denomin. van Lat. trabs = balk, verw. met dorp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

travalie: zn.: hoefstal. Ook Vlaams. Vnnl. travaeilge daermen de perden in stelt om te beslaen ‘un travail’ (Lambrecht). Ofr. travail ‘folterwerktuig’ > ‘hoefstal’ < Lat. tripalium < tri + palus ‘drie palen, balken’. Travail i.p.v. trevail o.i.v. Ofr. travail ‘balk’, afl. van tref ‘balk’ < Lat. trabs, trabem.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

travalje, travalie, treva(a)lje, trevalie, terva(a)lje, stravalje, strevalje, travaalde zn. v.: hoefstal. Ook Vl. Vnnl. travaeilge daermen de perden in stelt om te beslaen ‘un travail’ (Lambrecht). Ofr. travail ‘folterwerktuig’ > ‘hoefstal’ < Lat. tripalium < tri + palus ‘drie palen, balken’. Travail i.p.v. trevail o.i.v. Ofr. travail ‘balk’, afl. van tref ‘balk’ < Lat. trabs, trabem. Travaalde met ld, zoals in het Ovl. < Fr. l mouillé (Tavernier 1971, 80).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

travalie (H), trava(a)lje (B, W, ZV), tervaalje (ZV), travaalde (E, G, ZO), travoelde (R), stravalje, strevalje (ZV), zn. v.: hoefstal; (naar analogie daarvan ook) schuttingen waartussen de bronstige merrie gebracht wordt voor het dekken. Vnnl. travaeilge daermen de perden in stelt om te beslaen 'un travail' (Lambrecht). Ofr. travail 'folterwerktuig' > 'hoefstal' < Lat. tripalium < tri + palus 'drie palen, balken'. Travail i.p.v. trevail o.i.v. Ofr. travail 'balk', afl. van tref 'balk' < Lat. trabs, trabem. Ovl. ld < Fr. l mouillé (Tavernier 1971, 80).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

travalje, stravallie hoefstal (Zuidwest-Nederland, Brabant, Zuid-Holland). « fra. travail ‘id.’ ‹ vulglat. trepalium ‘uit drie palen bestaand martelwerktuig’, waarvan het begin vervormd is uit tri- ‘drie’ en het tweede deel palus ‘paal’ bevat.
Van Sterkenburg afl. 18, Ghijsen 949, DELF 616.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

travalie, travaaldje (K: travooldje), zn. v.: hoefstal. Vroegnnl. travaeilge daer-men de perden in stelt om te beslaen ‘un travail’ (Lambrecht). Ofr. travail ‘folterwerktuig’ > ‘hoefstal’ < Lat. tripalium, volkslat. trepalium < tri + palus ‘drie palen, balken’. Travail i.p.v. trevail o.i.v. travee, Ofr. travail ‘balk’, afl. van tref ‘balk’ < Lat. trabs, trabem.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

travallie [+]: – travalie – , vgl. petallie, rapallie, “hoefstal” (stal waarin perde beslaan word); “barensnood; inspanning”, blb. het travallie en trawal deureengeloop; Ndl. travalje, “noodstal”, maar soos Eng. travail ook “barensnood, swaar werk”, uit Fr. travail, “barensnood; foltertuig; swaar werk”, uit Ll. trepalium uit Lat. tripalis, “(stal) uit drie pale bestaande” (Lat. tres, “drie”, palus, “paal”); travalje ook by vWee 149; v. ook trawal.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal