Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trappen - (de voet (met kracht) neerzetten of met de voet stoten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trappen ww. ‘de voet (met kracht) neerzetten of met de voet stoten’
Mnl. trappen ‘schoppen, stampen’ in trappen int water ‘trappelen in het water’ [1470; MNW], die man ... die mitten voeten trapt [1480; MNW-P], ‘zich verzetten, schoppen’ in sal hi tegen sinen here trappen ‘zal hij zich tegen zijn meester verzetten’ [1485; MNW]; vnnl. trappen ‘stappen (op), vertrappen, met de voeten treden (op)’ [1599; Kil.], ‘stampen, stampvoeten’ in Razen, buldren, trappen, trampen [1657; WNT], ook figuurlijk ‘met de voeten treden (op)’ in op 't hart getrapt ‘gekwetst’ [1969; WNT]; nnl. trappen ‘de pedalen van een rijwiel bewegen, fietsen’ in wordt de wieler bewogen door met den voet te trappen [1870; WNT], hij trapte in een uur naar Haarlem [1898; WNT], ‘met de voet in beweging brengen of houden’ in Deze electrische naaimachine, die een einde zou maken aan het zenuwachtige trappen [1908; WNT], ‘een voetbal in beweging brengen, voetballen’ in de bal ... trappen [1909; WNT], trappen ‘voetballen’ [1913; WNT].
Afleiding van dezelfde wortel als → trap 1 ‘tred; schop’, mnl. ook ‘val’, en → trap 2 ‘trede, reeks treden’. Zie ook → betrappen en → doortrapt.
trapper zn. ‘schoen; fietspedaal’. Nnl. trappers ‘schoenen’ [1731; WNT]; de trappers van een ouderwetsch rijwiel [1888; Krantenbank Zeeland]. Afleiding van trappen met het achtervoegsel -er, zie → -aar, in de betekenis ‘waarmee of waarop men dat doet’; trapper betekent dus zowel ‘dat waarmee men trapt’ als ‘dat waarop men trapt’. ♦ trappelen ww. ‘herhaald licht stampen’. Mnl. trappelen ‘trappelen, met de voeten of poten over de grond krabben’ in Die centauroen trappelde sere ‘de centaur trappelde heftig’ [1350-1400; MNW R]; vnnl. ‘voeten of poten snel optrekken en neerzetten’ in Ick hoorde paerdevolck ... trapplen [1637; WNT], de felle Ottoman ... trappelt op de Christevanen ‘... vertrapt de vlaggen van de christenen’ [1656; WNT]; nnl. ‘id.’, zowel overdrachtelijk als letterlijk, in trappelen van ongeduld [1939; WN], De kleine lag te kraaien en te trappelen van pleizier [1950; WNT]. Frequentatief van trappen, dus ‘herhaaldelijk trappen, met de voeten snel bewegen’. Zie ook → trippelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trappen* [de voet neerzetten, schoppen] {1470 in de betekenis ‘op de grond stampen, vangen’} middelnederduits trappen [luid stampen], oudengels trepeð [hij treedt, vangt in een strik], treppa [treden, betrappen], naast ablautend middelhoogduits trumpfen [lopen], gotisch anatrimpan [toedringen op]; buiten het germ. pools drabina [ladder], en misschien, hoewel erg omstreden, grieks (apo)didraskein [(weg)lopen], oudindisch drāti [hij holt] (vgl. trap1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trappen ww., mnl. trappen, mnd. trappen ‘luid stappenʼ, nnoorw. nzw. dial. trappa ‘trappen, stappen, stampenʼ. Met een emfatische -pp- naast mnl. betrāpen ‘in zijn macht krijgen, vinden, betrappenʼ en oe. treppan (3de pers. enk. trepeð) ‘treden, vangen in een strikʼ, zie ook iteratief: trappelen en trippelen. — Daarnaast staat abl.: got. anatrimpan ‘toedringen opʼ en mhd. trumpfen ‘lopenʼ, nnoorw. dial. trumpa ‘stotenʼ. — Buiten het germ. alleen lit. drebù, drebéti ‘sidderen, bevenʼ, pools drabina ‘ladderʼ van idg. wt. *dreb, een afl. van *der, waarvoor zie oi. drấti ‘loopt, haast zichʼ, gr. apodidrấskō ‘weg lopenʼ en on. titra, ohd. zittarōn ‘sidderenʼ (IEW 204). — Zie ook: trampen.

Allerlei formaties lopen hier door elkaar, zoals de onder trant genoemde woorden, maar ook woorden als strompelen; vgl. verder nog nhd. dial. trotteln ‘langzaam gaanʼ en de groep van treuzelen. — Voor de bet. van betrappen vergelijkt FW 706 oe. betræppan, betreppan ‘omsingelenʼ (ne. entrap), waarbij men kan uitgaan van een ‘stappen om of tegenʼ. Het vangen in een strik kan uitgaan van het stappen in de strik, waardoor deze toeslaat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trappen ww., mnl. trappen = mnd. trappen “luid stappen”, noorw., zw. dial. trappa “trappen, stappen, stampen”. Hierbij met één p ags. treppan (3. pers. trepeð) “treden, vangen in een strik”, mnl. be-trāpen “in zijn macht krijgen, vinden, betrappen” (nnl., sedert Kil., betrappen); voor de bet. vgl. ags. be-træppan, be-treppan “omsingelen” (eng. to entrap): oorspr. bet. “stooten op” of “aanstappen op” (vgl. hieronder got. ana-trimpan); ’t is minder geraden, de laatstgenoemde ww. van trappen te scheiden; hierbij nog het ndl.-eng. (ook ndd.) znw. voor “strik”, bij trap genoemd. Ontl.: fr. attraper “vangen, betrappen, vinden”. Wsch. verwant met klruss. drabýna, moravisch, po. drabina “ladder” en misschien hoogerop met treden. De germ. basis trimp-, tramp-, trump- (mhd.-md., nhd. trampeln “met zware stappen gaan”, mhd. trumpfen “loopen”, mnd. trampen “stampen”, ndl. dial. trampelen “id., trappelen”, mnl. tramperen “id., als een dolle heen en weer loopen”, eng. to tramp, to trample “trappen, treden”, noorw. dial. trumpa “stooten”, got. ana-trimpan “toedringen op”) kan als nasaleering van (trep-) trap-, maar ook als trem-p-, idg. drem-b- opgevat worden, een verlenging van dre-m-, waarvan ags. trem, trym “stap, schrede”, gr. dramoūmai “ik zal loopen”, oi. drámati “hij loopt”. Vgl. nog trippelen; voor dgl. vormen met anderen anlaut vgl. draven en strompelen. De directe combinatie van trappen met lit. drebù, drebéti “beven” is mogelijk, maar hoogst onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trappen ono.w., + Ndd. id., Eng. to trape, waarnevens genasaleerd Ndl. trampen, Hgd. trampeln, Eng. to tramp, Zw. trampa: alle intensieven van een werkw. dat zich in ’t Go. vertoont als trimpan = treden (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3trap ww.
1. Die voet onbedoeld en onopsetlik neersit. 2. Verneder, vertrap. 3. Die voet met krag neersit, dikw. met die bedoeling om iets in 'n sekere toestand te bring. 4. Jou verwyder, padgee. 5. Graan dors. 6. Deur 'n voertuig raak gery word.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. trappen (al Mnl. in bet. 1, 1562 in bet. 2, 1588 in bet. 3, 1618 in bet. 4). Bet. 5 en 6 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 5 is 'n uitbreiding van bet. 3. In Ndl. word o.a. druiwe getrap (1617) (WNT), en in vroeë Afr. ook koring (1812) (Scholtz 1972: 172; vgl. egter trapvloer en uittrap). Eerste optekeninge in Afr. in bet. 6 by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884). In bet. 4 het trap die bet. 'gaan, loop', soos tans ook nog in gewestelike Ndl. (WNT).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1842 in bet. 5).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

poot: een/zijn poot... trappen (trapte, heeft getrapt), (grove uitdr.) een been/voet... zetten. Me vrouw trapt nooit één poot buiten! schreeuwde Anansi woedend (Cairo 1976: 147). Uw zoon heeft misbruik gemaakt van onze gastvrijheid, vond Ma Erven. Hij trapt hier z’n poot niet meer, zei pa Erven (Rappa 1984: 95).
— : op poten, (scholierentaal) moeilijk, op niveau (thema, proefwerk). - Etym.: In AN alleen de uitdr. ’een brief op poten’ = een brief waarin men zich scherp uitdrukt t.o.v. geadresseerde.
— : pootjes baden (baadde, heeft gebaad), pootje baden. Oh, je bent hier, ik heb je overal gezocht. Radjen zei me dat je pootjes was gaan baden (Rappa 1984: 131).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

trappen. In Leiden kent men de verwensing trap in een drol! Met de letterlijke betekenis heeft de verwensing nauwelijks nog iets te maken. De emoties die erdoor uitgedrukt worden, tenderen naar minachting, afkeer e.d.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Trappen met uitstooting der m ontstaan uit ’t zelfde grondwoord als ’t Got. trimpan = treden. In de Geld. Vallei zegt men nog: „Ik zal je trampen = trappen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trappen ‘de voet neerzetten, schoppen’ -> Ambons-Maleis trap-trap ‘trappen; stoep met treden’; Menadonees batrap ‘trappen (op de fiets)’; Negerhollands trap ‘de voet neerzetten, schoppen’; Berbice-Nederlands trap ‘de voet neerzetten’; Papiaments trapa ‘de voet neerzetten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trappen* de voet neerzetten, schoppen 1470 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

520. Als men van den duivel spreekt, is hij nabij.

Deze spreekwijze gebruikt men, wanneer over iemand, die afwezig is, gesproken wordt, en deze juist verschijnt; vgl. Brederoo in zijn Rod. ende Alph. vs. 72: Gemeenlijck is omtrent de gheen daarmen van spreckt’. In de 16de eeuw was zij bekend; vgl. Goedthals, 9: Daermen van den duvel cout, hy isser gheerne omtrent; Mergh, 7: Daer men van den duyvel vermaent is hy geern by. In de plaats van deze laatste woorden vindt men ook wel het toevoegsel: dan rammelt reeds zijn gebeente of dan ziet men (of trapt men op) zijn staart of ziet men zijn horens of zendt hij zijn gasten of is hij oorwege, in 't weer. Zie Langendijk, Wederz. H. vs. 1458: 'k Praat van den drommel, en daar komt hy zelf op 't mat; Harrebomée III, 171 b; Molema, 94 a; Jongeneel, 89; Waasch Idiot. 196 a; Joos, 148 en Tuerlinckx, 166.

In Duitsche dialecten is de spreekwijze ook zeer gewoon. Vgl. Wander IV, 1098 en 1099: Wenn man des Teufels gedenkt, ist er nicht weit; wenn man von dem Duiwel sprückt, dann sitt he up de Heckedür; wenn man von Teufel spricht, so klappert (schlottert) sein Gebein; wenn man den Wolf nennt, so kommt er gerennt; enz. Zie ook Bresemann, 233; Taalgids IV, 246 en VII, 210 en vgl. het eng.: talk of the devil and he will (or his imps) appear of he is sure to come; speak of an angel and you hear the rustle of his wings; fr. quand on parle du loup, on en voit la queue; fri. as men oer de divel praet, is er ornaris (gewoonlijk) tichte by. In het Latijn zeide men lupus in fabula, in sermone (Otto, 199-200).

2243. Hij is op de (of zijn) teenen getrapt,

eig. hem is op eene gevoelige plaats pijn gedaan; bij overdracht: hij is gekrenkt, hij acht zich beleedigd, hij is in zijn wiek geschoten; hetzelfde dus als: Hy is op syn seer ghetast; hy is op syn timpe ghetreden (Campen, 100). Sedert de 16de eeuw vrij gewoon; vgl. Huygens VII, 200; Poirters, Mask. 108: Niet een en is soo stout die eens den grooten Heer derft treden op den teen, en tasten op sijn seer; De Brune, Bank. I, 51; Hooft, Brieven, 398; R. Ansloo, Poezy, 128: Hy treedt hem te lydig op de teenen daar hy gevoeligst is. Op al deze plaatsen komt de uitdr. voor in den zin van: iemand de waarheid zeggen, den vinger op de wond leggen; iemand op zijn plaats zettenIn De Arbeid, 20 Febr. 1915 p. 4 k. 1 komt de uitdr. nog voor in den zin van: ‘iemand gevoelig op zijn plaats zetten’, ‘op de vingers tikken’: Wij hebben hem daarover zoodanig op zijn teenen getrapt, dat hij nu op huilenden toon zegt, enz.. In de 16de eeuw komt ze evenwel ook voor in de tegenwoordige bet. van geraakt zijn, zooals blijkt uit Trou m. Bl. 61; Idinau, 287:

 De sulcke iemandt op sijnen teen terden,
 Die een ander erghens in ver-stooren.

Vgl. verder nog Haagsche Reize, 33; Halma, 631: Iemand op zijnen teên treeden, offenser quelqu'un; Tuinman I, 293; Br. v. Abr. Bl. I, 193: Deeze geringe eigenzinnigheid, of wilt gy, eerzucht, is misschien al op haar toon getreden, voor er iemand aan denkt; Harreb. II, 327; Mgdh. 305; Propria Cures XXVI, bl. 317; Slop, 153: Ai denkt Pier, die heb ik op zijn kleine teentje getrapt; V.v.d.D. 58: Ik hoor die andere advokaat nog vragen, zoo'n beetje op z'n teenen getrapt: Waarom krijgt mijn cliënt meer? Voor Zuid-Nederland zie Joos, 87; Antw. Idiot. 1225; Waasch Idiot. 644 b; Claes, 232; Schuermans, 715 a en 281 a: gezwind op zijne veersen getreden zijn; gauw pijn gedaan zijn (Rutten, 174); gauw zeer gedaan zijn (Antw. Idiot. 1473); op iemands leer trappen, hem misnoegen (Antw. Idiot. 751); vgl. ook het Friesch: hy is op 'e tean trape of hy is op 'e stirt trape; Twente: hy is doadelick op 'n steert etret; het Groningsch: gou op trip treden wezen (Molema, 422 b); het oostfri.: ligt up de tip of de stert treden wezen; Woeste, 254 b: se het ne oppen stert treen, sie haben ihn beleidigt. Vgl. fr. marcher qqn sur le pied; hd. einem auf die Hühneraugen treten; eng. to tread (or step) on the tail of one's coat; to tread on a p's toes (or corns).

2631. Iemand op zijn zeer treden (trappen of tasten),

d.w.z. eene gevoelige plek bij iemand aanraken, hem pijnlijk aandoen, en bij overdracht hem kwetsen door over dingen te spreken, die hem onaangenaam zijn; hem iets verwijten; hem beleedigen. Zie Campen, 100: hy is op syn seer ghetast; Servilius, 166*: op syn seere rueren, tangere hulcusVgl. Otto, 353: Ulcus tangere, d.i. een zweer aanraken; een netelig punt aanraken.; Sart. I, 7, 42: een op sijn seer tasten, hoc est, movere dolorem, ejusque rei facere mentionem, quae nos magnopere urat; Anna Bijns, Refr. 380:

 Van den boosen, die ghij (Jezus) op haer seer hadt ghetast
 Hoe wert ghij int hofken veroverlast.

Poirters, Mask. 21; V. Moerk. 466; Vondel, Sofomp. vs. 425; Huygens I, 131; VII, 174:

 Roert niemands leemten aen, om jocken, noch om krencken,
 All is hij noch soo laegh, al zijt ghij noch soo hoogh;
 Wij hebben elck ons zeer, en konnen elck gedencken,
 Hoe zeer de lichtste tré doet op een' Exteroog.

Zie verder Rusting, 319; Tuinman I, 203; 213; Sewel, 272: Gy hebt hem op zyn zeer getreeden, you touched him upon the quick; Ten Doornk. Koolm. III, 175 b; De Bo, 1422: iemand op zijn zeer treden of terden, hem in zijn zeer tasten; Antw. Idiot. 1473: gauw zeer gedaan zijn, lichtgeraakt zijn; fri. immen op 't sear komme; hd. jemandes wunde Stelle, wunden Fleck berühren; eng. to rap upon a p.'s sore; to touch a p. up(on) the raw. Zie no. 2243, en vgl. de uitdr. oud zeer op(en)krabben, oude (smartelijke) gebeurtenissen weer oprakelen; zie Ndl. Wdb. XI, 621; 947-948.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut