Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trammelant - (ruzie, moeilijkheden; drukte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

trammelant zn. ‘ruzie, moeilijkheden; drukte’
Nnl. trammelant ‘lawaai’ [1897; WNT], ‘narigheid, ruzie; moeilijkheden’ in met als gevolg, eindeloos trammelant [1918; WNT], De ... obstinate man, die ... trammelant had geschopt [1941; WNT], Als je de belasting ontduikt, kun je er een hoop trammelant mee krijgen [1955; WNT].
Verbastering in de volkstaal van tremulant ‘trillende toon, vibrerend effect’ [1807; WNT tremulant], ‘trillende toon, orgelregister’ [1735; WNT tremulant], of het synonieme tremblant ‘trillende toon’ [1708; WNT tremblant II], ‘hulpstuk aan een orgel’ [1554; WNT tremblant II]. Tremblant is ontleend aan Frans tremblant ‘orgelregister’ [1669; TLF], van trembler ‘trillen’. Tremulant gaat terug op het Frans teg.deelw. trémulant van trémuler ‘beven, trillen’ [1801; TLF]. Dat werkwoord is een geleerde afleiding van Latijn tremulus ‘bevend’, een afleiding van tremere ‘trillen, sidderen’.
Latijn tremere is verwant met: Grieks trémein ‘beven’; Litouws trimti ‘schudden, beven’; Tochaars träm ‘beven van woede’; < pie. *trem-, *trm- (LIV 648).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trammelant [drukte, narigheid] {1897} verbasterd uit frans trémulant, teg. deelw. van trémuler [beven, doen trillen], van een intensivum van latijn tremere [trillen, sidderen], van tremulus [bevend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trammelan ook: trammelant znw. o. (volkstaal) ‘Lawaai, rumoer, herrie; ruzie; narigheid, (gewestel.) talmen, treuzelenʼ, is een verbastering van fra. tremulant ‘bevendʼ (WNT 17, 1, 1874).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

trammelant (van Frans trémulant)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trammelant drukte, narigheid 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut