Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tram - (openbaar vervoermiddel op rails)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tram zn. ‘openbaar vervoermiddel op rails’
Nnl. tram ‘vervoermiddel op rails’ in een rit met de tram [1877; Groene Amsterdammer], locaalspoorwegen of trams [1886; WNT].
Ontleend aan Engels tram ‘vervoermiddel op rails’ [1879; BDE], eerder al in de samenstelling tramway ‘id.’ [1860; BDE] en tramway car [1872; OED], daarvoor tram ‘rail voor kar, slede enz.’ [1820; WNT], nog eerder al ‘arm van disselboom, drijflat van kar, steekwagen, slede enz.’ [1500-20; BDE]. Het Engelse woord is wrsch. ontleend aan mnl. tram, trame ‘handvat, balk, houten lat’: handvatten en drijflatten van karren en later rails voor karren waren oorspr. van hout. De betekenis ‘vervoermiddel’ is in het Engels ontstaan als verkorting van tramway (car); ook in het Nederlands is tramway, ‘tram’ geleend in tramwayrails [1873; WNT tramway], en de verkorting kan dus ook daar hebben plaatsgevonden.
Bij mnl. tram, trame: mnd. trame (nnd. Traam); mhd. trāme, trām, drāme, drām (nhd. Tram(en) ‘balk’); alle met soortgelijke betekenis. De verdere herkomst van dit woord is onbekend. Daarnaast ablautend Nederlands treem ‘steunbalk’. Mnl. treme; (M)nd. treme ‘dwarsstang’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tram [openbaar vervoermiddel] {1885} < engels tram, verkort uit tramway, vgl. middelnederlands tram(e) [balk, lat], nederduits traam, oudfries tram(e) [laddersport], noors tram [houten drempel]; rails in mijnen waren vroeger van hout; oudnoors þrǫmr [kant, houten geul of waterleiding], vgl. grieks térma [doel] en latijn terminus [eindpunt].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tram

Hét woord tram is zo ingeburgerd dat het aanbeveling zou verdienen het ook op z’n Nederlands te spellen en dus te schrijven: trem. De thans nog gebruikelijke schrijfwijze maakt duidelijk dat wij het woord aan het Engels hebben ontleend. Daar heeft men in 1776 in een kolenmijn in Sheffield voor het eerst ijzeren rails toegepast in plaats van houten. De man die dit deed en later ook buiten de mijnen op deze wijze voor goederenvervoer zorgde, heette Outram. Men sprak dus van Outramways, later kortweg van tramways en noemde de wagens die op deze wegens reden, trams, hetzij paardentrams, hetzij stoomtrams of elektrische trams.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tram znw. m., in de 19de eeuw < ne. tram ‘wagenboom; gestel; rolwagen; rails, trambaanʼ, vgl. mnl. mnd. trame ‘balkʼ. — Zie: treem 1. — Maar ne. tram, dat eerst in 1500 opkomt als ‘trekstang voor kar of kruiwagen, berrie om goederen te vervoerenʼ komt zelf weer uit nl. tram, traam ‘balkʼ (vgl. Bense 506).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tram znw. Jonge ontl. uit eng. tram.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tram v., uit Eng. id., van Schotsch id. = balk: z. traam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trem s.nw.
1. Groot voertuig vir die vervoer van mense, meestal op spore. 2. Diens, lyn van genoemde vervoermiddel.
Uit Eng. tram (1879).
Eng. tram is 'n verkorting van tram-car (1873). Ndl. tram (1886) ook uit Eng. tram. Histories die stootkarretjie wat in koolmyne gebruik is. In Middelengels het die woord die steel van 'n kruiwa aangedui, uit Middelduits en Mnl. trame 'steel'. In die 19de eeu ontwikkel dit in die bet. 'parallelle spore in 'n myn'. Openbare tremspore is op hierdie konsep gegrond.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

trem: bep. soort voertuig; Ndl. tram/trem, uit Eng. tram, eint. redukv. v. tram-car, na d. vb. v. tram-road en tramway, waar tram betrekking gehad het op d. “spore” waarop waentjies i. d. steenkoolmyne geloop het, en nog vroeër op d. “re(i)lings” v. sulke waentjies.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tram (Engels tram)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tram. De verwensing loop onder de trein of tram! drukt woede en minachting uit en wil zoveel zeggen als ‘rot op, val voor mijn part dood’. Bekend is ook loop onder tram 11! en loop onder lijn 11!elf, helft, vallen.

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

[tram], openbaar vervoermiddel
Op 23 juni 18 64 vond de feestelijke opening plaats van de eerste tramweg in Nederland. De paardetramlijn Den Haag-Scheveningen werd geëxploiteerd door de Dutch Tramway Company Ltd. en deze naam leidde in 1865 in het tijdschrift De Navorscher tot een kleine twist over de vraag of ‘tramway’ nu wel of niet een ‘nagelnieuw’ woord was.
Over de herkomst van het woord bestond geen twijfel. ‘trams’, schreef een letterkundige, ‘zijn de kleine wagens in de ijzermijnen, gebruikt ter vervoering van het ijzererts’. De wagentjes werden zo genoemd naar Benjamin Outram, de Britse ingenieur die ze in 1800 in Derbyshire voor het eerst gebruikte. Men schreef eerst Outramway, toen tramway en vervolgens kortweg tram. Benjamin Outram is zó vaak als de vader van de (Ou)tram(way) aangewezen, dat zijn biograaf speciaal de moeite heeft genomen om dit te weerleggen. Inderdaad, de op 1 april 1764 geboren Benjamin Outram werkte als civiel ingenieur en hij was degene die als eerste in de kolenmijnen de houten rails verving door ijzeren balken. Hij stierf op 22 mei 1805, slechts 42 jaar oud, en had toen een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van het transport in de kolenmijnen.
‘Vaak is verondersteld’, vervolgt zijn biograaf, ‘dat hij de uitvinder is van de tramways en dat het begrip "tram" van zijn naam is afgeleid. Het is echter zeker dat dit woord al ruim voor zijn tijd werd gebruikt, zowel voor de rails in de mijnen als voor de wagentjes die erop reden.’
Volgens moderne Engelse woordenboeken bestaat er geen twijfel over de etymologie van tram: de Schotten gebruikten het woord al vóór 1500 en de oorsprong moet worden gezocht in het Nederduitse ‘traam’, dat balk betekent.
In Nederland is de misvatting echter onuitroeibaar: talloze naslagwerken, waaronder de achtste druk van de Winkler Prins, noemen Outram als de man van de Outramway. Zelfs in het nieuwste etymologisch woordenboek, van Van Dale, komt zijn naam weer voor.
Overigens dateert zowel de Van Dale als de Winkler Prins de uitvinding van de tram in 1776. Dat wil zeggen: als Benjamin Outram net twaalf is geworden!
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tram ‘openbaar vervoermiddel’ -> Fries tram ‘openbaar vervoermiddel’; Indonesisch terém, trém, tram ‘openbaar vervoermiddel’; Jakartaans-Maleis terèm, trèm ‘openbaar vervoermiddel’; Javaans trim ‘openbaar vervoermiddel’; Madoerees trem, ēttrem ‘openbaar vervoermiddel’ (uit Nederlands of Engels); Minangkabaus teram ‘openbaar vervoermiddel’; Soendanees tremel ‘openbaar vervoermiddel’; Papiaments trèm ‘openbaar vervoermiddel’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

locomotief [voorspan van een spoortrein] (1839). In 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland in gebruik genomen, tussen Amsterdam en Haarlem. In deze periode worden uit het Engels, waar de techniek vandaan kwam, de woorden bus, cokes (‘soort kolen’), locomotief, lorrie (‘laag en vlak dienstwagentje dat door mankracht kan worden voortbewogen’), rail, tender (‘kolenwagen’), tram, trein en tunnel geleend. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De spoorwegen zijn bij ons al een jaar of tien ouder, dan het midden onzer eeuw. Toch zijn de meeste woorden, die daarop betrekking hebben, eerst in de tweede helft der eeuw gevormd of algemeen in gebruik gekomen. De samenstelling locaalspoor dagteekent van omstreeks 1878. Nieuw zijn alzoo spoorwet, spoornet, spoorlijn, spoortrein, ook verkort tot spoor en tot trein, waarnaast goederentrein, sneltrein, bommeltrein (een te vergeefs bestreden germanisme), pleiziertrein en ten slotte zelfs harmonicatrein. Voor spoorwagen heeft men ook wagon, dat wat ouder, en coupé, dat wat jonger is. Vvoor kolenwagen gebruikt men ook tender. Station was niet nieuw, wel stationschef, evenals wisselwachter. Aan de Duitschers ontleende men halte, aan de Engelschen stoppen. Nieuw is retourbiljet, nieuwer rondreisbiljet, allernieuwst kilometerboekje. Ook de tram, aanvankelijk tramway en toen door het volk tramwáái genoemd, is bij ons nog geen vijftig jaar oud. Sinds er aanleiding was gekomen om van stoomtram te spreken, ontstond als tegenstelling ook paardentram. De oudere “omnibus” is er grootendeels, de “diligence” bijna geheel door verdrongen. Den vroegeren “char-à-bancs” kent niemand meer.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tram openbaar vervoermiddel 1884 [GVD] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut