Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

traan - (oogvocht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

traan 1 zn. ‘oogvocht’
Onl. tran ‘traan’ in trani mina ‘mijn tranen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. traen, in de spelling tran [1240; Bern.], in menech bitter traen ‘menige bittere traan’ [1265-70; VMNW].
Os. (mv.) trahni ‘tranen’ (mnd. trān); ohd. trahan (nhd. Träne); < pgm. *trahnu- ‘traan’. Hierbij met andere uitgang ook mhd. traher, treher ‘traan’.
Daarnaast staat de vorm *tahra- ‘traan’, waaruit: ohd. zahar (nhd. Zähre); ofri. tār; oe. tēar, tæhher (ne. tear); on. tár (nzw. tår) en met grammatische wisseling *tagra- ‘id.’, waaruit: oe. teagor; got. tagr ‘traan’.
Men kan beide Germaanse vormen verbinden door uit te gaan van pie. *draḱru- < *drh2(e)ḱru-, waaruit dan door dissimilatie nevenvormen als *draknu- en *daḱru- zijn ontstaan, en zonder d-anlaut ook nog *akru- (IEW 179). Verwant zijn: Vroeglatijn dacruma (klassiek Latijn lacrima); Grieks dákru; Oudiers dēr, Welsh deigr (< *dakro-); Armeens artausr (< *drakur); en zonder d-: Sanskrit áśru; Avestisch asrū-; Litouws ašarà; Tochaars A ākär, mv. akrunt; Hittitisch ishahru.
tranen ww. ‘oogvocht afscheiden’. Mnl. trenen ‘huilen’ [1240; VMNW], sine hoghen tranen ‘zijn ogen tranen’ [1287; VMNW]. Afleiding van het zn. traan ‘oogvocht’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

traan1* [oogvocht] {traen 1265-1270} oudsaksisch trahni (mv.) oudhoogduits trahan naast vormen met r, vgl. middelhoogduits traher, oudhoogduits zahar, oudfries tār, oudengels tæhher, tear, oudnoors tār, met grammatische wisseling oudengels teagor, gotisch tagr; buiten het germ. latijn lacruma, van ouder dacruma, grieks dakru, oudiers dér, welsh deigr, litouws ašara, oudindisch aśra-, vormen die niet geheel op elkaar aansluiten en het best verklaard kunnen worden als affectieve varianten. In de uitdrukking tranen met tuiten huilen wil tuiten zeggen, dat de tranen boven in een punt eindigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

traan 1 znw. m., ‘lacrimaʼ, mnl. traen m. ‘traan, druppel, vochtʼ, onfrank. mv. trāni (voor overgel. trami), os. mv. trahni, ohd. trahan m. (nhd. träne v., met uml. uit het mv.) < germ. *trahnu-. — Daarnaast met r-formans: mhd. traher, treher m. ‘traanʼ, vgl. arm. artausr (< *draḱur). — Hiernaast staat een idg. *daḱru (mogelijk door dissimilatie < *draḱru), vgl. ohd. zahar, zahhar (nhd. zähre v., eig. mv.), ofri. tār, oe. tēar, tæhher, on. tār en met gramm. wiss. oe. teagor, got. tagr; vgl. verder: oiers dēr, kymr. deigr (< *daḱro-) en gr. dâkru (< *daḱru-), daaruit ontleend olat. dacruma > lat. lacrima. (IEW 179). Daarnaast staat nog idg. *aḱru vgl. oi. ved. áśru o., lit. ašara en v., āšara toch. A ākär mv. ākrunt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

traan I (lacrima), mnl. traen m. “traan, druppel, vocht”. = onfr. *trân (mv. trami, lees trâni), ohd. trahan m. (nhd. träne v., uit ’t mv. ontstaan), os. *trahan m. (mv. trahni), germ. *traχnu-. Hiernaast met r-formans mhd. traher, treher m. “traan”, arm. artausr “id.” (idg. *draḱur-). De verhouding tot ohd. zahar, zahhar m. (nhd. zähre v., oorspr. mv.), ofri. târ m., ags. tæh(h)er, têar m. (eng. tear), teagor (o.?), on. târ o., got. tagr o., ier. dêr, oudlat. dacruma, lat. lacrima (met dial. l < d) “traan” is ’t best verklaarbaar, als we idg. *daḱru- (-o-) voor gedissimileerd uit *draḱru- houden.. Met nog anderen anlaut lit. aszarà, oi. áçru-, áçra- “traan”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

traan 1 m. (larme), Mnl. traen, Onfra, mv. trâni, Os. trâhni + Ohd. enk. trahan, meerv. trahani (Mhd. enk. trahen, meerv. trene. Nhd. träne): Ug. *trahn-; daarnevens Ohd. zahar (Mhd. zaher, Nhd. zähre), Ags. tear (Eng. tear), On. tár (Zw. tår, De. taar), Go. tagr: Ug. *tahr- + Skr. açru, Gr. dákru, Lat. lacruma (uit *dacruma), Oier. dér, Obret. dacr: Idg. *dakr. Beide vormen *trahn- en *tahr- zijn dissim. van Idg. *drakr-.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

traon (zn.) traan; Aajdnederlands tran <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

traan s.nw.
1. Oogvog. 2. Olie verkry van sekere diere, veral walvisse.
Uit Ndl. traan (al Mnl.). Baie woordeboeke behandel traan in bet. 1 en traan in bet. 2 as homonieme. Die woord het egter dieselfde oorsprong in beide bet., en bet. 2 beteken lett. 'druppel wat verkry word by die uitkook van die vet'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

traan I: s.nw. en ww., oogvog; oogvog afskei; vog afskei (bv. plante, o.a. wingerdstokke); Ndl. traan (Mnl. traen, “traan; druppel; vog”), Hd. träne, hou verb. m. Hd. zähre, Eng. tear en Gr. dakru (wu. Olat. dacruma wu. Lat. lacrima, “traan”).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

traantje In de betekenis ‘borrel’ in 1887 opgetekend in Groningen, als troanje. Al eerder, in 1836, was traantje in Overijssel gesignaleerd voor ‘glaasje wijn’. Later werd het woord ook daar gebruikt voor ‘borrel, slokje, glaasje sterke drank’. Het kwam in deze betekenis eveneens voor in Noord-Brabant, Twente en West-Vlaanderen. Bij dialectonderzoek in 1980 bleek de borrelnaam bijna te zijn uitgestorven. Wel werd traantje indertijd in Noord-Brabant, Gelderland en Groningen gebruikt voor ‘kopje (sterke) koffie’. De borrelnaam gaat terug op traan in de betekenis ‘kleine hoeveelheid vocht’. Het is dus een van de vele borrelnamen die de nietigheid van het glaasje benadrukken. In het Duits wordt Träne ‘traan’ gebruikt voor ‘slokje’ of ‘slecht gevuld glas’. In het Frans kun je een minuscuul borreltje aanduiden met het koosnaampje larmichette (‘piepklein traantje’).
Vergelijk druppel.

[Gallée 46; Halbertsma treuntje; Molema 431; Nijm.vr. 80; Ovt 1:157; PJM 55; Taal en tongval 35:9-12; WNT XVII1 1741]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

traan ‘oogvocht’ -> Negerhollands traan ‘oogvocht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

traan* oogvocht 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2284. Tranen met tuiten huilen (schreien of lachen),

d.w.z. groote, dikke tranen schreien (mnl. vloetoogen) of lachen; vooral van kinderen gezegd, die om eene kleinigheid zich zeer aanstellen. Tranen met tuiten zijn eig. groote, dikke tranen, die boven in een tuit, een punt, uitloopen (vgl. De Bo, 1195). Syn. tranen als oliekoeken (in B.B. 149; 453); fri. triennen as balstiennen (klinkers); Maastricht: snotsellelaank kriete. In de 17de eeuw komt de uitdrukking voor bij Brederoo I, 373, vs. 2134: Maar holla, ik moet ierst gaan huylen tranen met tuyten; Smetius, 132; Paffenr. 198: Hy krijt tranen met tuyte. Zie verder Tuinman I, 13: Traanen met tuiten schreyen, dit zegt men jokswijze van huilbalken, die een groot gebaar van ongemeende droefheid maken; Halma, 654: Traanen met tuiten schreijen, pleurer à chaudes larmes; Harreb. II, 342 b; Nkr. VII, 29 Maart p. 5; VIII, 15 Febr. p. 2. Hiernaast tranen met tuiten lachen o.a. in Nw. School IV, 115: Die andere baas was toch zoo'n leuke piemelEig. penis, mannelijke roede?; vgl. pik, in lekkere pik., ze lachten tranen met tuiten als hij aan 't vertellen was.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut