Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

traag - (langzaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

traag bn. ‘langzaam’
Mnl. traech ‘langzaam, slap, talmend, lui’, in de vorm trege [1240; Bern.], in si traech waren te diene gode ‘ze waren traag, slap in het dienen van God’ [1285; VMNW].
Os. trāg (mnd. trāch); ohd. trāgi (nhd. träge); < pgm. *trēgi- ‘traag, slap’. Wrsch. is het als ablautende vorm te verbinden met het ww. os. tregan ‘bedroeven, onaangenaam zijn’, oe. tregian ‘bedroeven, kwellen’, on. trega ‘bedroeven’. Hierbij behoren ook onl. trego ‘smart’ en het bn. treghaft ‘verdrietig’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], en verder oe. trega ‘smart, verdriet’, on. tregi ‘smart, druk’, got. trigo ‘droefenis’.
Wrsch. verwant met Litouws drižė́ti ‘schrikken’, drìžti ‘bedeesd zijn’; < pie. *dreǵh-, *drǵh- ‘verdriet doen’ (LIV 125).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

traag* [langzaam] {traech, trage 1201-1250} oudsaksisch trāg, oudhoogduits tragi, oudengels trāg, naast ablautend oudsaksisch trĕgan, oudengels trĕgian, oudnoors trega [bedroeven], gotisch trĭgo [treurnis]; buiten het germ. litouws diržti [hard, taai worden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

traag bnw., mnl. trâghe, traech, os. trāg, ohd. trāgi (nhd. träge) ‘traag, slapʼ, oe. trāg ‘slecht, boosaardigʼ < germ. *trēg(i)a. Daarnaast abl. os. tregan ‘bedroeven, onaangenaam zijnʼ, on. trega ‘bedroevenʼ, oe. tregian ‘bedroeven, kwellenʼ en verder onfrank. treghaft ‘dolensʼ, trego, oe. trega, on. tregi m. ‘smart, drukʼ, got. trigo v. ‘droefenisʼ en het bnw. on. tregr ‘onwillig, langzaamʼ. — Alleen te vergelijken lit. drižtu, drižti ‘mat, slap wordenʼ, (IEW 226).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

traag bnw., mnl. trâghe, traech (gh). = ohd. trâgi (nhd. träge), os. trâg “traag, zonder energie”, ags. trâg “slecht, boosaardig”, germ. *trêʒia-, *trêʒa-. Ablautend met os. trëgan “bedroeven, onaangenaam zijn”, on. trëga “bedroeven”, trëginn “bedroefd”, ags. trëgian “bedroeven, kwellen”, onfr. trëg-haft “dolens”, trëgo, ags. trëga, on. trëgi m. “smart, druk”, got. trigo v. “droefenis”, on. trëgr “onwillig, niet happig”. Of met idg. ĝh en verwant met lit. dirżtù, dir̃żti “verlept, taai worden” (vgl. noorw. dial. tregen “taai”) òf met idg. gh bij obg. raz-dražą, raz-dražiti “tot toorn prikkelen”, oi. drā́ghate “hij plaagt, kwelt” (Dhâtupâtha), waarvoor men echter met ’t oog op ags. dreccan “plagen, boos maken” gew. idg. dh aanneemt, — niet met po. wz-dragacˊ się “zich hevig verzetten” te combineeren en van obg. raz-dražiti te scheiden, — ook niet bij lat. traho “ik trek, sleep”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

traag. Naast de in het art. vermelde, meer of min onzekere, combinaties verdient die van Persson Beitr. 46 met lit. drìžti ‘verlegen zijn’ althans vermelding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

traag bijv., Mnl. traghe, Os. trâgi + Ohd. id. (Mhd. træ̂ge, Nhd. träge), Ags. trág, On. tregr (= onwillig), Go. trigo (= treurnis): oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

traag b.nw.
1. Langsaam, lusteloos, lui. 2. Dommerig.
Uit Ndl. traag (al Mnl. in bet. 1, 1532 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

traag: langsaam; luierig; Ndl. traag (Mnl. trāghe/traech), Hd. träge, “slap; traag”, hou verb. m. On. tregr, “langsaam, onwillig”; hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Traag, van den Germ. wt. treg = treurig zijn, vandaar: lusteloos, werkeloos, langzaam werkend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

traag ‘langzaam’ -> Negerhollands traag ‘langzaam, lui’; Papiaments † traag ‘langzaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

traag* langzaam 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut