Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toveren - (magie beoefenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

toveren ww. ‘magie beoefenen’
Mnl. toveren ‘magie beoefenen’, in de vorm tourem (lees touren = tovren) [1240; Bern.], in god ghebod ... toueren ... Niemene gheloefde no ne dede ‘God gebood dat niemand in toverij zou geloven of zich ermee bezig zou houden’ [1285; VMNW].
Afleiding van mnl. tover ‘tovenarij, magie’ < onl. *tōvar, dat enkele zeer onzekere attestaties heeft in de Lex Salica (8e eeuw). In het Middelnederlands was dit woord al vrij zeldzaam geworden en grotendeels vervangen door een jongere afleiding toverie (nnl. toverij, tovenarij) van toveren.
Mnd. toveren; ohd. zoubarōn (nhd. zaubern) ‘toveren’; on. taufra ‘toveren, beheksen’; nfri. vero. thauwerje ‘toveren’ (naast toverje als ontlening aan het nnl.); < pgm. *taubarōn-.
Afleiding van *taubara-, waaruit naast mnl. tover: ohd. zoubar (nhd. alleen Zauberei); ofri. taver; on. taufr; alle ‘tovermiddel, tovenarij’; en oe. tēafor ‘oranjerode verfstof, menie’ (< ‘kleurstof voor magische inscripties’); < pgm. *taubra-, taufra- (met en zonder grammatische wisseling). Herkomst onbekend.
tovenaar zn. ‘magiër’. Onl. tōvereri ‘tovenaar’ in de genitiefvorm touferes (lees toufreres) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. toverare ‘id.’, in de vorm touerere [1240; Bern.], touerars (mv.) [1276-1300; CG II], tovenaer in waersagerssen oft tovenaers [1440; MNW]. Afleiding van toveren met het achtervoegsel → -aar, later met de variant -enaar door dissimilatie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toveren [zwarte kunst beoefenen] {tov(e)ren 1201-1250} middelnederduits toveren, oudhoogduits zoubaron, oudnoors taufr [tovermiddel, tovenarij] < middelnederlands, middelnederduits tover [tovenaar, toverij], oudhoogduits zoubar, oudfries taver, oudengels teafor [roodsel, rode verfstof, zalf]; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toveren ww., mnl. tôveren, mnd. tōveren, ohd. zaubaron (nhd. zaubern) ‘toverenʼ, on. taufra ‘beheksenʼ; afl. van mnl. tôver, mnd. tover m., ohd. zaubar, zauvar (nhd. zauber), ‘toverij, tovermiddel, toverspreukʼ, on. taufr o. mv. ‘tovermiddel, toverijʼ (ook taufrar m. mv. en taufrir v. mv. en zelfs de bijvorm tǫfr), vgl. nog ofri. tāver, oe. tēafor ‘menieʼ (vgl. de rode kleurstof waarin de runentekens van magische inscripties ingewreven werden).

Etymologie is onzeker. — 1. Schrader Reallex. 974 wil uitgaan van een begrip ‘maken, doenʼ, wat W. de Vries Ts. 41, 1922, 201 aanleiding geeft om daarmee tobben te verbinden. Een veel te vaag begrip voor een woord met zo gespecialiseerde bet. — 2. Bij slov. dŭpati ‘op iets hols slaanʼ en dan in verband gebracht met het gebruik van de sjamanentrommel (Loewenthal ANF 32, 1916, 285); maar er is geen enkele aanleiding om de westgerm. toverij daarmee in verband te brengen. — Er is op te letten, dat naast dit woord staat ohd. zebar, oe. tifer, got. *tibr (voor aibr) ‘offerdierʼ, want deze woorden zijn moeilijk van elkander te scheiden. Verder is te herinneren aan on. tafn o. ‘offerʼ, dat men gewoonlijk verbindt met lat. daps ‘maaltijdʼ, gr. dapánē ‘uitgaaf, kostenʼ, arm. tawn (< *dapni) ‘vastʼ (IEW 176), wat slechts een vermoeden kan blijven. Voor de wisseling tafn: *tiƀr wil Pedersen KZ 32, 1893, 247 een heteroklitische stam aannemen, maar de klinkers stemmen ook niet met elkaar overeen. — Men mag zeker bij woorden als deze aan spontane klinkervarianten denken, hetzij ten gevolge van hun affectief karakter, hetzij door taboe-verschijnselen. De donkere klinker van germ. *tauƀra zou op een zekere geringschatting van het magische handelen kunnen duiden (vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 28 en AEW 579-580).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toovenaar znw., mnl. tôvenâre m. Met dissimilatie (vgl. kamenier) uit tôverâre m., een reeds onfr. (toufreres gen., conjectuur voor touferes) ohd., mnd. woord. Evenals mnl. tôveren (nnl. tooveren), ohd. zoubarôn (nhd. zaubern), mnd. tôveren, on. taufra “tooveren” een afl. van mnl. tôver (o.?), ohd. zoubar, zouvar o. (nhd. zauber m.), mnd. tôver m., on. taufr o. v., taufrar m. mv. “betoovering, toovenarij, toovermiddel”. Wellicht met ags. têafor o. “menie” identisch (oudere bet. van mnl. tôver enz. “met menie ingegrifte runen”? Noodig is die speciale grondbet. niet, want in ’t algemeen is rood toovermiddel bij uitnemendheid), maar ook in dat geval is de oorsprong duister. — tooverij znw. Reeds mnl., mhd. mnd., ofri. — toovenarij znw., uit toverij. Nog niet bij Kil., naar tovenaar.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

to[o]venaar, to[o]veren znw. resp. ww. Oostndl. umlautsvormen wijzen op een -jan-afl. (vgl. ags. â-tiêfran ‘verven’). Wellicht ook mnd. tö̂veren, eventueel naast tôveren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tooveren o.w., Mnl. toveren, denomin. van Mnl. tover + Ohd. zouber (Mhd. id., Nhd. zauber) = tooverij, Ags. téafor = menie, On. taufr = tooverij: niet verder na te gaan. De bet. is wellicht: 1. de met menie gegrifte runen, 2. geheimzinnig teeken, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toor ww.
1. Magiese handelinge verrig. 2. Toertjies, kunsies uitvoer. 3. Buitengewone effekte bereik.
Uit Ndl. toveren (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1813 in bet. 3).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1912 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

toor: – (gew. meer fig. in bet. “bekoor”) tower – , deur sg. geheime krag ’n veronderstelde bonatuurlike mag uitoefen; Ndl. to(o)veren (Mnl. toveren), Hd. zaubern, afl. v. Mnl. tover, Ohd. zoubar, On. taufr, “toordery; toormiddel”, herk. verderop onseker – afl. towenaar uit Ndl. to(o)venaar deur diss. uit to(o)veraar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toveren ‘zwarte kunst beoefenen’ -> Fries toverje ‘zwarte kunst beoefenen’; Zuid-Afrikaans-Engels toor ‘betoveren, beheksen’; Ambons-Maleis tofor ‘zwarte kunst beoefenen’; Negerhollands tover ‘zwarte kunst beoefenen’; Papiaments tover, tofer ‘zwarte kunst beoefenen’; Sranantongo towfer, towfru (ouder: tofre) ‘zwarte kunst beoefenen’; Saramakkaans tófu ‘zwarte kunst beoefenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toveren* zwarte kunst beoefenen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal