Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

touw - (koord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

touw zn. ‘koord’
Mnl. touwe ‘touwwerk, lijn’ in Jtem betten sone van sinen touwe in spiscip vi sol ‘Item aan de zoon van Bette voor zijn touwwerk in het proviandschip 6 penningen’ [1286; VMNW], zeel ofte touw ‘lijn of touw’ [ca. 1460; MNW caterol].
Os. tou ‘werk’ (mnd. touwe, tow, tau, vanwaar door ontlening nhd. Tau ‘touw’); ofri. tauwe, tau, towe, tou ‘touw, lijn’ (nfri. tou); me. touw (ne. tow ‘vlasvezels’); on. ‘wol’ (nno. to ‘stof, materiaal’) < pgm. *tauwa- ‘touw, lijn’, dat wrsch. is te verbinden met de wortel van → tooien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

touw* [koord] {touw(e), tou [touw, werk (geplozen vlas)] 1286} oudsaksisch tou, oudfries tau [touw], middelengels touw [werk] (engels tow); verwant met touwen. De uitdrukking in touw zijn [druk bezig zijn] is vermoedelijk gebaseerd op het tuig waarin een paard is ingespannen. De uitdrukking iets op touw zetten [beramen] stamt van het weven, namelijk het op het weefgetouw opspannen van de schering.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

makkelijk

Er is een heel rijtje woorden waarvan naast elkaar voorkomen vormen met en zonder het voorvoegsel ge-. Men zegt: makkelijk en gemakkelijk, broeders en gebroeders, zusters en gezusters, zeggen en (zich laten) gezeggen, heel en geheel, buur en gebuur, lijken en gelijken, lukken en gelukken, tij en getij, touw en getouw (in de uitdrukking iets op touw, dat wil zeggen op het weefgetouw zetten). Evenzo zien we een enkele maal naast elkaar vormen met en zonder be-: hoeven en behoeven, danken en bedanken, horen en behoren. Het is heel waarschijnlijk dat deze voorvoegsels in de gesproken taal verdwenen zijn, omdat ze geen duidelijke betekenis meer hadden. In de voltooide deelwoorden immers zijn ze bewaard gebleven. De eigenlijke betekenis van ge- was: samen, maar daarna kreeg het de functie te laten zien dat de handeling voltooid was. In zinnen als: hij heeft geslagen en: hij is gekomen, vervult ge- dus een taak. Daardoor kon het daar met meer succes weerstand bieden tegen klankverlies en afval.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

touw 1 znw. o., ‘bindmateriaalʼ, mnl. touwe, tou, Kiliaen touwe ‘touwʼ, touw (Fris. Ang.) ‘werk van vlasʼ, os. tou o. ‘werkʼ, mnd. touwe (> nhd. tau), ofri. tau ‘touw, lijnʼ, me. touw (ne. tow) ‘werkʼ < germ. *tauwa. Daarnaast staan abl. oe. tōw-hus ‘spinnerijʼ en on. o. ‘werkʼ. — Er is semantisch geen enkel bezwaar dit woord te verbinden met touwen.

Hoe oe. tēag, on. taug op te vatten zijn, is niet geheel zeker. FW 704 stellen het bij germ. *tiuhan ‘trekkenʼ en scheiden deze woorden dus van touw. Semantisch is de verbinding met een ww. dat ‘trekkenʼ betekent ook weinig bevredigend; de oudste functie van een touw is het binden. Er is dus eerder aanleiding dit woord ook tot de grote groep van tuien te brengen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

touw I (bindmateriaal) znw. o. Kil. touwe “touw”, touw (“Fris. Ang.”) “werk (van vlas e.dgl.)”, mnl. tou(we) o. “touw”. = os. tou o. “werk” (nhd. tau, oorspr. ndd.), ofri. tau o. “touw, lijn” (fisk-tau), meng. touw (eng. tow) “werk”, germ. *tauwa-, Met ablaut ags. tôw-hûs o. “spinning-house”, on. o. “ongezuiverde wol, werk”. De combinatie met touwen is mogelijk, maar semantisch niet overtuigend: *tauwa- “het gemaakte, bewerkte” of “datgene waarmee men werkt”? Eer met tuien van een idg. basis du- “binden”. On. taug v. “touw”, ags. téag v. “band”, tîegan “binden” (eng. to tie) hooren bij germ. *teuχanan “trekken”: zie teug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

touw 1 o. (zeel), Mnl. touwe, Os. tou + Ofri. tau, Meng. touw (Eng. tow); daarnevens synon. Agr. téag met ww. tíegan (Eng. to tie) = binden, On. toug en tog (Zw. tåg, De. taug), dat zeker bij tiegen behoort; touw kan op dezelfde wijze met -w- suff. gevormd zijn, vóór hetwelk de g weggevallen is. Uit het Germ. komt Fr. touer = op sleeptouw nemen.

touw 2 o. (getouw), verbaalabstr. van touwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

touw (zn.) touw; Vreugmiddelnederlands touwe <1286>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tou s.nw., ww.
1. Inmekaar gedraaide materiaal in lang stringe. 2. Deel van 'n tou (1tou 1) wat vir verskeie gebruike aangewend word. 3. Ry persone, voertuie, ens., of agtermekaar of in 'n ry beweeg.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. touw (1519 in bet. 1, 1625 in bet. 2). Mnl. touwe het beteken 'gereedskap, veral vir spin en weef', waaruit Ndl. touw in bet. 1. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1824 in bet. 1 en 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

tou I: bindmateriaal (v. leer, vesel, ens.); Ndl. touw (Mnl. tou(we), by Kil touwe), Hd. tau, Eng. tow, “vesel”; oor uitdr.: oor die tou trap v. Scho TWK 14, 1, p. 34-5.

tou II: – (soms dim.) toutjie – , Mar 82 en 127 skryf touw(tje) v. d. pln. (Harpagophytum procumbens, fam. Pedaliaceae), ben. n.a.v. touvormige lote oor grond versprei.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Tou snw. Segsw.: Oor die tou trap, ’n misstap doen. By Mansvelt 157: “Over di streng trap, te ver, buiten zijn bevoegdheid gaan.” – Joos 831: “Over zijn streng trappen, zijn plichten te buiten gaan.” Teirlinck III, 148: “Over zijnen ten(g)el sprengen, zich slecht en wild gedragen (tengele, zeel (touw), waarmede ’t paard in den stal gebonden staat)”. N. T. XII 145: “Hij slaat wel eens over de streng. Dit wordt gezegd van iemand, die wel eens uit den band springt. Ndl. ook Buiten het gareel lopen = uit den band springen (Stoett 595). Hgd. Über die Stränge schlagen.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

touw. Een zegsman schrijft mij hoe hij in 1923 van het Brabantse Waspik verhuisde naar Nijmegen en hoe hij daar het volgende verwensingsrijmpje leerde van iemand die zwaar gefrusteerd was, nadat hem een poets was gebakken: “Stik, verrek, verrot, verteer,// donder op en bliksem neer,// val op je knieën, barst in drieën,// draai een touwtje om je nek// en trek!” → barsten, hangen, elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, touw, verf.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Touw, afl. van tiën = trekken; het woord w.d.z.: het lang uitgetrokkene.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

touw ‘koord’ -> Engels tow ‘vlas- of hennepvezels’; Duits Tau ‘koord, lijn’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Fins touvi ‘koord’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests tõu ‘koord’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels tou ‘koord, riem’; Negerhollands toouw, tou ‘koord’; Negerhollands tau ‘koord, rank, liaan’; Berbice-Nederlands tau ‘koord’; Skepi-Nederlands tau ‘koord’; Sranantongo t'tei ‘koord’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans tetei ‘koord’ ; Arowaks tau ‘koord’; Warau táu, táü, tao ‘koord’; Sarnami tatai ‘koord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

touw* koord 1286 [CG I2, 1173]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1411. Iemand aan het lijntje hebben (- houden of krijgen),

d.w.z. iemand in zijne macht hebben, houden, of krijgen, op zijne hand hebben, tot zijne partij overhalen; vroeger ook: iemand aan zijn (of een) snoer hebben of krijgen; iemand aansnoeren (Ndl. Wdb. I, 328; 17de eeuw: iemand aan zijn koord krijgen; aan zijn ling (?Gewestelijke vorm van leng, strop van touw, dien men om een last slaat om dezen op te hijschen?) hebben (Lichte Wigger, 6, r); in Twente: eenen an 't töwken hebben; fr. tenir qqn en laisse; hd. jemanden am Faden, an der Schnure, am Schnürchen, an der Leine haben. Hoogstwaarschijnlijk moet lijntje hier worden opgevat in den zin van lang touw, waaraan bijv. een paard loopt. Zie Hooft, Ned. Hist. 25; Tuinman I, 296: Hij heeft hem beet, hij heeft hem vast, of aan 't lijntje; Halma, 319: Iemand aan zijne lijn of aan zijne zijde krijgen, mettre quelqu'un dans son partie; De Arbeid, 18 April 1914, p. 4 k. 2: De Heeren doen alsof zij de ministers aan 't lijntje hebben, ofschoon het precies anders om is; 11 Maart, p. 4 k. 1: De heeren patroons dachten de confectieslaven hiermede aan de lijn te houden; Sjof. 113: Ze zouën 'm thuis goed oppassen, ze zouën 'm wel aan 't lijntje houën; Nkr. V, 2 April p. 6: Arbeiders hou je aan 't lijntje heel hun leven, maar aan de patroons moet je wat toe weten te geven; Schoolm. 216: Zoo laat gij zelfs het kloekste brein wanneer 't u lust aan 't lijntje loopen. Syn. is iemand aan 't touwtje hebben (o.a. in Nkr. VII, 26 Juli p. 2); vgl. no. 596; fri. ien oan 't snoer ha, aan 't lijntje hebben.

1566. Aan iets geen mouw(en) weten te passen (of te naaien),

d.w.z. iets niet weten te helpen, klaar te spelen; er geen kop aan weten te klinken of te krijgenZie Schoolblad XLIII, k. 1236: Je snapt wel, dat dit niet zoo openlijk in den gemeenteraad gezegd werd, maar onder het motto: verandering van arbeidsvoorwaarden, heeft men er een kop aan weten te klinken; De Telegraaf, 8 Dec. 1914 (ochtendbl.) p. 2 k. 2; Aan het heen-en-weer gesjouw van de Duitschers is geen kop te krijgen (geen touw aan vast te knoopen).; geen raad voor of met iets weten, geen middel weten om iets in orde te brengen, iets niet weten te plooien; eig. gezgd van een kleermaker of eene naaister, die geen kans ziet een mouw aan het een of ander lijf te passen, en dateerend uit den tijd, dat men losse mouwen droegZie Weinhold. D. Deutsche Frauen, 430; Schultz, Höf. Leben I, 253. (zie no. 1568). Syn. was aan iets geen ooren weten te naaien of geen touw weten vast te knoopen. In de 16de eeuw vinden we de uitdr. bij Marnix, Byenc. 72 r: Al is 't dat sy aen desen klaren Text geene mouwen en weten te setten; zoo ook 76 v; Elckerlijc, 123: Ic en sier gheen mouwen toe gesedt; Coster, 37 vs. 790: 'k Weet by get niet hoe 'k hier best mouwen an sel lassen; De Brune, Emblemata, 262: Het verloop van zijn spel, daer hy noch mouwe, noch lap en weet aen te zetten; Winschooten, 99: Ick sal dat Varken wel wassen, ik weet daar wel mouwen aan te setten; Huygens VIII, 9; Coster, 202, 1574: Daer toe weet ick gien raet, daer weet ick gien mouwen an te setten; Pers, 525 b; 732 a; Tuinman I, 126; Sewel, 500; Halma, 362: Ik weet 'er geen mouwen aan te zetten, je n'y sai point de remède, je ne sai comment m'y prendre, je ne sai quelle pièce y coudre; W. Leevend VII, 118; Ndl. Wdb. IX, 1185; XII, 1022; Villiers, 83; Nkr. III, 26 Sept. p. 5: Aan Karnebeek's bezwaren had ik met zwier een mouw gepast. In het Westvl. ergens geen mouwen aan vinden, geene mogelijkheid zien van het te verrichten (De Bo, 716 a); Limb. niet weten hoe 't aan 't stuk staat ('t Daghet XII, 191); Land v. Waas: hij weet aan alles een mouw te passen, weet zich goed te verantwoorden, weet tegen alles middel; hd. da weisz ick keinen Aermel anzusetzen (Wander I, 137).

1665. Em om hebben.

Dit wordt gezegd van iemand die te veel ‘opheeft’, dus in den zin van dronken zijn, een (of den) bok aan 't touw hebbenN. Taalgids XII, 147; ook in 't fri. hy het de bok oan 't tou, hij is dronken., em staan hebben (fri. ik hab him stien as in mûs); Zuid-Nederland: ze staan hebben of het staan hebben, dronken, sikker zijn. Vgl. P.K. 70: Hij is vet, roept een van 't schellinkie. Hij heit 'era om hoor! gilt een ander; Nkr. III, 9 Mei p. 2: Oranje boven, wát ook kom, ik volhard in 't edel streven en heb 'm ied'ren avond om; Zevende Gebod, 43: Ach leg niet te klesse! Jij heb'm weer om; Jong. 178: Als ze over die heere van 't hof begint, heit ze em lekker om; S.M. 46: Jij denkt dat ik 'm om heb - niks van an, niks; bl. 89: De jongens, die als hazen weg holden, lachend en roepend: ze hebben 'm om, hou je roer recht, hou je roer recht! Op R. en T. 106: De bazin die telkens weder verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch ‘zoo'n leuk moffie’ was als hij 'm niet om had. De beteekenis van om is hier niet duidelijk; misschien mogen we in de uitdr. eene verkorting zien van het door Harreb. I, 445 a vermelde: Hij heeft den kraag om (of aan), hij is dronken. Zie Een stuk in den kraag hebben.

2279. In (het) touw zijn,

d.w.z. druk bezig zijn, in spier zijn (Noordh.). ‘Touw is waarschijnlijk genomen van de strengen van een tuig, waarin een paard voor ploeg of vrachtwagen gespannen is’ (Harreb. II, 341 b). Deze meening wordt bevestigd door Westerbaen, Ged. II, 104: Och, hoe geluckigh zyn dees hooghverlichte mannen, terwyl sy besigh syn en in het tou gespannen (= ingespannen bezig zijn); II, bl. 16: Hooghgeleerde mannen, die haer altijds in 't tou van besigheden spannen; Huygens, Hofw. 2828: Soo scheid ick van mijn' vriend, soo treed ick uyt mijn touw (d.i. uit mijn gareel of de treklijn); vgl. ook in 't haam (gareelNdl. Wdb. V, 1378; vgl. eng. to be in harness.) zijn (Boekenoogen, 1313; N. Taalgids XI, 305), dat ook in Limburg bekend is (Welters, 78: altijd in den haam zijn, aanhoudend werken) en het Hagelandsche en Antw. in de strengen staan, aangespannen zijn, lastigen arbeid doen, hard moeten werken; iemand in de stringe zetten, iemand hard doen arbeiden (Tuerlinckx, 598), dat herinnert aan 't hd. ins Geschirr gehen; sich ins Geschirr legen en aan het adj. angestrengt; ook kent men in het hd. im Joche sein en sich ins Zeug legen, sich in de Stränge legen. Zie verder Hoeufft, 608; vgl. Gew. Weuw. III, 46: Willig in het touw zijn; ook V. Janus, 3, 9: Van den ochtend tot den avond, altijd in het touw en nooit vrij af; fri. yn 't touw, 't spien, 'e line wêze naast yn in swiere sile rinne, een zware taak te vervullen hebben; vgl. no. 595. Syn. in 't getouw zijn, o.a. in M.z.A. 160: Van den ochtend tot den avond was hij in 't getouw.

2280. Iets op (het) (ge)touw

De vorm zonder ge komt sedert de Middeleeuwen voor; zie Mnl. Wdb. VIII, 614 en vgl. Kiliaen: Ghetouwe des wevers, j. wevers touwe, machina textoria. zetten,

eig. gezegd van de schering die bij een weefgetouw opgespannen wordt, doch in fig. toepassing, van arbeid voor den geest, waarvoor men een plan maakt, dat vervolgens moet worden uitgewerkt; Ndl. Wdb. IV, 1849; XI, 243; Handelsblad, 14 Dec. (avondbl.) 1914 p. 6 k. 4: Eene bijeenkomst, welke op het getouw wordt gezet door predikanten van verschillende kerken. Vgl. voor een soortgelijken overgang van beteekenis iets beramen; iemand iets berokkenen (denk aan het spinrokken), mnl. iet trapeneren, weven, maar ook op het touw zetten; syn. van mnl. iet (be)weven, bewerken; iet spinnen, iets op touw zetten; eng. to weave a plot, een komplot smeden, en het hd. etwas anzetteln; fri. op tou sette. In Zuid-Nederland iets op het getouw brengen, iets te berde brengen (Waasch Idiot. 795); in Groningen en Oost-Friesland: iets op stel (= weefsel, weefgetouw) zetten (Molema, 401 b; Ten Doornk. Koolm. III, 308 a); fr. mettre (ou avoir) qqch. sur le métier. Vgl. ook iets opzetten, beginnen, beramen.

2281. Men kan er geen touw aan vastknoopen (of vastmaken),

d.w.z. men kan er niets van begrijpen; men heeft er geen ‘houvast’ aan; er is geen kop aan te krijgenDe Telegraaf, 8 Dec. 1914 (ochtendbl.), p. 2 k. 2: Aan het heen- en weergesjouw van de Duitschers is geen kop te krijgen.; men kan niet weten, waar het eind aan vast is (Winschooten, 57; Sewel, 213); in het Zaansch: ik kan er geen onderband an vast krijgen of ik kan er geen onderband van krijgen (Boekenoogen, 685); in Limb.: ik kan er geen doorband van krijgen ('t Daghet VII, 34); in Zuid-Nederland: ik kan er geen teelap aan uitvinden (Volkskunde XIV, 146) naast daar kan ik geen touwen aan vastmaken (Waasch Idiot. 658 a). De zegswijze is ontleend aan het zeewezen. Men zeide vroeger daar is geen touw aan te beleggen in den zin van ‘het is niet bequaam, om daar een touw aan te binden’, en in overdr. bet. ‘die quant en stuit (deugt) niet’ (Winschooten, 19; Ndl. Wdb. II, 1695). Vgl. ook Sewel, 80: Een touw aan een' paal beleggen, to fasten a rope to a pile. Oorspr. wil men dus hiermede zeggen ‘daaraan kan geen schip door middel van een touw vastgemaakt worden, daaraan heeft men geen houvast’. Vroeger ook gezegd van onbetrouwbare personen, zooals blijkt uit Sart. III, 1, 90, waar duplices viros verklaard wordt door ‘luyden daermen geen touw aen beleggen magh’; en I, 10, 33: een man daer geen touw aen te beleggen is, in inconstantes et qui moribus inaequalibus sunt; II, 4, 81: subere levior est, daer is geen touw aen te beleggen: proverbiales hyperbole in homines inconstantes et lubrica fide; III, 8, 9: daer geen touw aen te beleggen is, de vehementer perfidis; II, 7, 65; III, 4, 79; Tuinman I, 148; Suringar, Erasmus LXIII; Harrebomée II, 342; III, 346. Thans bij verdere overdracht en met vervanging van het verouderde ‘beleggen’ door het synonieme ‘vastknoopen’, ook van verhalen, redeneeringen en daden, waaraan men zijne gedachten niet kan vastknoopen, waarvan men niets begrijpt. Vgl. Mghd. 287: 't Was 'n bare krankzinnigheid, je kon er geen touw aan vast maken; Het Volk, 20 Dec. 1913 p. 1 k. 3: De minister hield eene redeneering, waaraan moeilijk een touw was vast te knoopen; Amstelv. 152; De Telegraaf, 29 Jan. 1915 (avondbl.), p. 1 k. 2: Dat de Duitschers geen touw vast konden knoopen aan deze wijze van aanvallen.

2282. Aan de touwtjes trekken (of zitten),

d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie no. 1991); vgl. in denzelfden zin de draden der politiek (zie Ndl. Wdb. III, 3178). Zie Nkr. V, 10 Juni p. 3:

 Mijnheer, mijn Hoofd heeft mij doen weten
 Dat ik voortaan mij niet meer mocht vermeten,
 Aan kinderen de kennis te verstrekken
 Wie in ons landje aan de touwtjes trekken.

Nkr. V, 24 Juni p. 6: Bram Kuyper, die goocheme spullebaas die trekt - achter 't scherm - aan de touwen; Het Volk, 6 Febr. 1914 p. 7 k. 2: Een stevig protest tegen het drijven van verschillende personen, die achter de schermen aan de touwtjes trekken, zou zeker wel op zijn plaats zijn geweest; 22 Juni 1914 p. 6 k. 1: Die zelfde hulde komt aan Michels toe, die als administrateur alle touwtjes in handen heeft, naar alle hoekjes van de wereld toe; 9 Juni 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten; De Arbeid, 18 Maart 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten, speculeeren op de onwetendheid van de massa. Aan het touwtje (of touwtjes) hebben, in zijn macht hebben; vgl. De Vrijheid, 9 Jan. 1924, 1ste bl. p. 4: Wel hebben de afgevaardigden der Ger. St. P. de broeders in den geloove aan het touwtje, om van aande-ketting-liggen maar niet te spreken; Groot-Nederland 1914 (Oct.) p. 443: Wij hebben de Beurs ook niet an touwtjes. En met kinderachtige dreigementen gaat 't fonds niet de hoogte in. Vgl. eng. to pull (on) the strings (or the wires); hd. die Fäden in der Hand haben; fr. c'est lui qui tient les ficelles, qu'on ne voit pas agir et qui fait agir les autres.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut