Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

totaal - (geheel, compleet); (som, geheel bedrag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

totaal bn. ‘geheel, compleet’; zn. ‘som, geheel bedrag’
Mnl. totael (bn.) ‘geheel’ [1482; MNHWS]; vnnl. De totaele somme bedraeght 127 [1559; WNT]; nnl. totaal ook zelfstandig gebruikt ‘som, geheel bedrag’ in voor het totaal [1801; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Frans total ‘geheel, volledig’ [1370; Rey], teruggaand op middeleeuws Latijn totālis ‘geheel, volledig’ (in summa totalis ‘totaalsom’) [12e eeuw; Rey], afgeleid van klassiek Latijn tōtus ‘id.’, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

totaal [geheel] {totael 1482} < middeleeuws latijn totalis, van totus [geheel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

totaal bnw., nnl. ontlening < fra. total < lat. totālis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

totaal bnw., nog niet bij Kil. Uit fr. total < lat. tôtâlis. Ook elders ontleend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

totaal- (Duits Total-)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

totaal-

In de woordenboeken en vooral in het onderzochte krantenmateriaal heb ik meer dan 70 verschillende samenstellingen met het adjectief totaal- gevonden. Het is dus een vrij produktief type. Men vindt het in het Nederlands pas vanaf de 19e eeuw; de meeste vormen dateren zelfs uit de 20e eeuw.

Het type zelf is waarschijnlijk onder Duitse invloed ontstaan (in het Duits is het sinds de 17e eeuw bekend, maar de meeste vormen dateren uit de 19e), maar slechts zeer weinig woorden zullen onder directe invloed van een Duitse parallelvorm zijn ontstaan. Veel samenstellingen met totaal- hebben trouwens in het Duits geen equivalent op ‘Total-’ maar op ‘Gesamt-’: zo wordt bijv. totaalbedrag door ‘Gesamtbetrag’ vertaald. In het Nederlands is dit type dus al produktiever dan in het Duits.

Het is moeilijk iets over de inburgering van de afzonderlijke vormen te zeggen. De woordenboeken (behalve Jansonius, Van Gelderen en Verschueren) staan in ieder geval afwijzend tegenover de samenstellingen waarin totaal- een adjectief is. Ze maken dus geen bezwaar tegen totaalcijfer (‘cijfer dat het totaal aangeeft’) en totaalkolom (‘kolom waarin de totalen van andere kolommen geplaatst worden’), waarin totaal een substantief is. Om dezelfde reden aanvaarden de meeste woordenboeken ook totaalbedrag, dat dus niet zou betekenen ‘het totale bedrag’ maar ‘bedrag dat het totaal uitmaakt’ [Eigenaardig genoeg wordt hetzelfde argument niet aangevoerd voor totaalsom!]. Deze twee betekenissen zijn echter niet goed te scheiden. Misschien is totaalbedrag oorspronkelijk wel degelijk een samenstelling van twee substantieven maar het feit dat naast de samenstelling totaalbedrag vooral in het Zuiden ook de gescheiden vorm totaal bedrag voorkomt, bewijst dat totaalbedrag nu als een germanistische samenstelling moet worden beschouwd, die echter helemaal ingeburgerd is, al komt de gescheiden vorm nog vaker voor.

Naast de samenstelling en de grafie in twee woorden komt er nog een derde grafie voor (echter minder dan de eerste twee), nl. de grafie met koppelteken, waar de samenstelling dus als losser gevoeld wordt: totaal-bedrag. Het bestaan van drie grafieën wijst op een labiele overgangstoestand, waarin de grafie met koppelteken waarschijnlijk als een eerste stap naar de volledige samenstelling moet worden beschouwd.

Twee samenstellingen met totaal- worden door de meeste woordenboeken uitdrukkelijk afgekeurd:

a. Totaalbeeld

‘Elke bewoner van “Heliopolis” kan bovendien zijn woonruimte, naar gelang behoefte of stemming, elektronisch groter of kleiner maken, als een la die in een kast uitschuifbaar is. Het resultaat is een boeiend, steeds veranderend, onvoorspelbaar totaalbeeld...’ (De Groene, 21.11.72, p. 11)
‘...het totaalbeeld van de Vlaamse problemen...’ (Knack, 29.11.72, p. 90)

Het feit dat ik nergens de gescheiden vorm gevonden heb (als correcte Nederlandse uitdrukking vindt men ‘beeld in zijn geheel’), kan erop wijzen dat de samenstelling niet langs de ‘natuurlijke’ weg van de aaneenvoeging van twee losse componenten (adjectief + substantief) ontstaan is maar ofwel direct naar een Duits voorbeeld gevormd is, ofwel door analogie met de reeds bestaande samenstellingen met totaal- ontstaan is.

Deze samenstelling schijnt typisch te zijn voor het soort proza waarin artikels gesteld zijn, die betrekking hebben op politieke of economische analyses, toneel, literatuur, schilderkunst of kunst in het algemeen. Het zal dus niemand verwonderen dat men totaalbeeld vaker in de weekbladen vindt dan in de kranten.

b. Totaalindruk

‘De totaalindruk die ik opdeed is fascinerend...’ (Elseviers Magazine, 11.9.71, p. 31)
‘Het gaat ten slotte om de hot-pants en dan verder de totaalindruk, de presentatie.’ (Elseviers Magazine, 17.4.71, p. 119)

Dit is een van de oudste samenstellingen met totaal-: ze werd reeds in 1868 door Potgieter gebruikt. Men moet zich de vraag stellen of totaalindruk wel terecht als germanisme gelaakt wordt, want totaal is hier geen adjectief maar een substantief: de uitdrukking die als vervanging wordt voorgesteld is immers ‘indruk van het geheel’. Het betekent dus niet ‘de totale indruk’ (de grafie in twee woorden ben ik trouwens nergens tegengekomen) maar ‘de indruk die het geheel, het totaal maakt’. In ieder geval is het woord niet zeer gebruikelijk.

De enige samenstellingen met het adjectief totaal- die door enkele (lang niet alle!) woordenboeken als goed Nederlands worden beschouwd zijn: totaalkosten (Jansonius), totaalopbrengst (Van Gelderen), totaalopname (‘opname van een beeld in zijn geheel, tegenstelling, detailopname’. Verschueren), totaalprijs, totaalslot, totaalsom, totaalteller, totaaltelling en totaalverbruik (Jansonius).

De enorme produktiviteit van totaal- blijkt niet alleen uit het groot aantal samenstellingen ermee (een zeventigtal) maar vooral uit het feit dat meer dan de helft ervan blijkbaar ‘nieuw’ is, m.a.w. men vindt de volgende samenstellingen met totaal- wel in de kranten maar nog niet in de woordenboeken: totaal-aanbod, totaalaantal, totaal-act, totaal-alternatief, totaalbestand, totaalbijdrage, totaal-conceptie, totaal-conclusie, totaaleindprodukt, totaalfilmer, totaal-formule, totaal-geluid, totaalinkomen, totaalkapaciteit, totaal-kunstwerk, totaaloeuvre, totaalomzet, totaalontwikkeling, totaal-oordeel, totaal-overzicht, totaalpakket, totaal-palet, totaalplan, totaalproduktie, totaalprogramma, totaalpubliek, totaalresultaat, totaalrust, totaalspektakel, totaalstand, totaalstruktuur, totaal-subsidie, totaaltheater, totaalverkoop, totaalvervoer, totaalvisie, totaalwinst, totaal-zaak.

We weten dat slechts 25% van de Nederlandse substantieven onzijdig zijn. Van de hier opgesomde 38 samenstellingen met totaal- zijn echter 50% onzijdig (ze zijn hier cursief gedrukt). Dit is m.i. het bewijs dat het-woorden meer kans maken op samenstelling met totaal- dan de-woorden. Een eerste stap naar de samenstelling is dan het wegvallen in het enkelvoud van de uitgang van het adjectief na het bepaald lidwoord.

Samenvattend kunnen we zeggen dat er steeds meer, vooral onzijdige, samenstellingen met totaal- voorkomen. De meeste woordenboeken willen dit type van samenstelling echter nog niet aanvaarden. We constateren trouwens dat de samenstelling in de meeste gevallen de gescheiden vorm nog niet heeft kunnen verdringen. Een derde van deze samenstellingen verkeren in een labiele toestand: naast de volwaardige composita bestaan er samenstellingen met koppelteken of grafieën in twee woorden. Voor totaal-aantal en totaalomzet constateert men een duidelijke voorkeur voor de grafie in twee woorden.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Totaal (< Lat. totalis; < totus = geheel). Is z = f(x, y), dan heet dz = pdx + qdy de totale differentiaal van z (in tegenstelling tot de partiële differentialen), omdat x en y beide veranderd zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

totaal ‘geheel’ -> Indonesisch total ‘geheel’; Jakartaans-Maleis total ‘aantal’; Madoerees total ‘geheel’; Surinaams-Javaans totel ‘stomdronken, total-loss; een zware aanrijding maken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

totaal geheel 1482 [HWS] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal