Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tot - (niet verder of langer dan; gericht op)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tot vz. ‘niet verder of langer dan; gericht op’
Onl. tuote ‘tot aan’ in In uualdon sal ... fan fluode untes to te gemerke ringis erthono ‘en (hij) zal heersen van de rivier tot aan de grenzen van de aarde’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. tote, tot, toet ‘niet verder, langer of langdurender dan, gericht op’ in tote nu ‘tot op heden, tot nu toe’ [1236; VMNW], toter erden ‘tot op de grond’ [1237; VMNW], vanden hersenen toten teen ‘van de hersenen tot aan de tenen’ [1260-80; VMNW], Die tote v sendde minen bode ‘die mijn boodschapper naar u stuurde’ [1265-70; VMNW], toet sinte ians misse ‘tot aan de Sint-Jansmis (24 juni)’ [1293; VMNW], tote des gasthuus buef ‘ten behoeve van het gasthuis’ [1295; VMNW], dat tot onsen cloestere behoert ‘dat tot ons klooster behoort’ [1297; VMNW]; vnnl. tot.
Ontstaan uit de verbinding van → toe en → te 1, met verzwakking van beide (meestal onbeklemtoonde) klinkers.
Os. tōte (mnd. tot, tote); ohd. zuo za; ofri. tot.
Vroeger kwam tot ook wel voor met de betekenis ‘te’, bijvoorbeeld ‘tot Gent’. In de 17e-eeuwse spraakkunst werd echter een kunstmatig verschil gemaakt tussen tot en te.
tot(dat) vgw. ‘tot het moment dat’. Mnl. tote ‘tot het moment dat’ in te bredene totet (‘tot het’) sinebrede heuet ‘te verbreden tot het de juiste breedte heeft’ [1277; VMNW], tot(e) dat, totdat ‘id.’ in Bidden tote dat coemt die dach ‘bidden totdat de dag begint’ [1300-50; MNW-R], Tot dat die feeste ware leden ‘totdat het feest voorbij zou zijn’ [1300-50; MNW-R], totdat ic miin lief weder ghecrigen mach ‘totdat ik mijn geliefde terug zal krijgen’ [1340-60; MNW-P], tot(e) ‘tot het moment dat’ in Tote het daghet ‘totdat de dag begint’ [1350; MNW], Tot gi comt ‘totdat u komt’ [15e eeuw; MNW]. Gevormd uit de vaste verbinding tot dat, met het voorzetsel tot en het voegwoord → dat. De neutrale component van de tijdsaanduiding (het moment, het tijdstip enz.) blijft meestal impliciet, maar kan ook expliciet genoemd worden, zoals in tote diere wile dat dese lettren ... was ghegheuen ‘tot het moment dat deze brief werd overhandigd’ [1265-70; VMNW] en Tote dier tijt ende tot tier stonde Datse die coninc Artur doet halen ‘tot op het moment dat koning Arthur hen laat halen’ [1300-50; MNW-R]. Totdat wordt al vroeg ook wel verkort tot tot. Dat deze verkorte vorm eerder is geattesteerd dan de combinatie met dat, is toeval.
Lit.: Van der Sijs 2004, 518-519

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tot* [voorzetsel, naar … toe] {oudnederlands tote 901-1000, middelnederlands tot(e)} uit toe + te, waarvan de klinker in onbeklemtoonde positie wegviel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tot voorz., mnl. tot, tōte, onfrank. tote, toti, mnd. tot, tōte, ofri. tot; daarnaast met onverzwakte klinker os. tôte, ohd. zuo zu. — Samenstelling van toe + te 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tot voorz., mnl. tot, tōte. = onfr. tote, toti, mnd. tot, tōte, ofri. tot “tot”. Met klinkerreductie door den zwakken toon = ohd. zuo za, os. tôte “id.”. Uit toe + te I. Als voegw. nnl. tot, ook reeds mnl. tōte, tot naast tōte, tot (dien) dat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tot voorz., Mnl. tot, tote. Onfra, tote: saamgest. uit toe en te.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tot 1. (vw.) dat 2. (vz.) tot; Aajdnederlands tot <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tot vz., (ook:) 1. tegen, met (spreken). Hij wordt kwaad als ik Surinaams* tot hem spreek (Ferrier 1968: 35). Johnny vond het prettig, dat zijn tante niet meer zoveel tot hem sprak als zij in het begin, toen zij pas terug was, had gedaan (Doelwijt 1972b: 19). U spreekt tot... (alg. als begin van een telefoongesprek). - 2. versterking bij ’naar’: helemaal naar. En vanuit Belgien zijn we doorgereden tot naar Amsterdam (Alers 19). - Etym.: (1) In SN ook in spreektaal normaal, in AN in deze bet. veroud. en nog in formele taal. (2) Berust op het emfatisch gebruik van tot in S en SN (Alers 19).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tot I: voors. en voegw.; Ndl. tot (Mnl. tot/tōte), ss. v. Ndl. toe (Eng. to, Hd. zu) en te.

tot II: hoeveelheid drank, vgl. Afr. dop; Eng. tot (sedert vroeg 19e eeu), vgl. Pet A 507.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tot ‘voorzetsel’ ->? Duits dialect tot ‘voorzetsel’; Negerhollands tot, tee ‘voorzetsel’; Berbice-Nederlands tutu ‘voorzetsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tot* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut