Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tornen - (losgaan van naaisel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tornen ww. ‘naden losmaken’
Mnl. -ternen, -tornen in opternen ‘lostornen’ in ende ternen zine mauwen op ‘en tornen zijn mouwen los’ [begin 15e eeuw; MNW], onttornen ‘naaisel losmaken’ [1454-73; MNW]; vnnl. tornen ‘trekken’ Hy tornde my den arm ‘hij trok aan mijn arm’ [1612; iWNT], ‘naden losmaken’ [1691; iWNT]; nnl. overdrachtelijk ‘verandering aanbrengen’ in Geen volken der aarde ... tornden oit aan 't stuk van hunne vryheid (t.w. die der Batavieren) ‘geen volk ter aarde probeerde hen ooit op het punt van hun vrijheid te beperken’ [1726; iWNT].
Met r-metathese (als in → kerst) ontstaan uit mnl. trennen ‘losmaken’, dat eenmalig is geattesteerd in Die ... Onderlinghe hadden ghetrent ‘die zich van elkaar hadden verwijderd’ [1390-1410; MNW-R].
Ohd. trennen ‘losmaken’ (nhd. trennen ‘scheiden, losmaken’); < pgm. *tranjan-. Causatief bij het sterke werkwoord *trinnan- ‘scheiden’, zoals in ohd. in(t)trinnan ‘vluchten, zich afscheiden’, en waarbij ook het bn. abtrünnig ‘afvallig’ behoort.
Vermoedelijk is trinnan ‘scheiden’ in het continentaal West-Germaans geabstraheerd door verkeerde woordscheiding van de afleiding intrinnan ‘vluchten’ als int-trinnan ‘zich afscheiden’ in plaats van int-rinnan ‘ontkomen’ bij het sterke werkwoord pgm. *rinnan- ‘gaan, stromen’, zie → geronnen en → rennen (Praust 2000).
In de betekenis ‘naden losmaken’ is de samenstelling lostornen gebruikelijker. Het simplex tornen is echter wel zeer frequent in de uitdrukking ergens niet aan tornen ‘het onveranderd laten’.
Lit.: K. Praust (2000), Studien zum indogermanischen Verbum, Münster, p. 65 en 120-123

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tarnen* [losmaken (van steken)] {1657} nevenvorm van tornen2.

tornen2* [losgaan van naaisel] {alleen in samenstellingen gevonden, vgl. aftornen 1450} met metathesis van r, naast middelnederlands optrennen [opternen], middelhoogduits trennen [splijten], van dezelfde stam als teren.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tornen

De gewone betekenis van tornen is: de naden losmaken. Ook tarnen komt voor, maar alleen in deze letterlijke zin. Het woord is verwant met het Duitse trennen: scheiden, splitsen. De oudste betekenis waarin tornen is opgetekend, luidt: weglopen uit de dienst, wat wij nu drossen noemen. Ook voor: afvallig worden van het geloof werd tornen gebruikt en het Duits kent nog het woord abtrünnig: afvallig van, ontrouw aan. In figuurlijke zin wordt tornen nog gebruikt voor: ergens verandering in aanbrengen. Men zegt: daar valt niet aan te tornen. In de 17e eeuw kwam tornen voor in de betekenis: achternazitten. Iemand naer ’t gat tornen wilde zeggen: iemand op de huid zitten, iemand achtervolgen. De grammatica maakt onderscheid tussen het zwakke achternazetten: snel volgen en het sterke achternazitten: controleren, nagaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tornen ww., met bijvorm tarnen (zie voor de verdeling der vormen vdBerg Oude tegenstellingen enz. 1938, 81-83), mnl. onttornen, Teuth opternen te vergelijken met ohd. in(t)trinnan ‘zich afscheiden, weglopenʼ, waarnaast een caus. ohd. entrennen (mhd. nhd. tren­nen), vgl. mnl. trennen ‘onenigheid hebbenʼ < germ. *trannjan. Verder behoren hiertoe ohd. anttrunno ‘vluchtelingʼ, trennila ‘kogelʼ (eig. ‘afgespleten stukʼ), dial trinna ‘gespleten heiningpaalʼ. — Van de idg. wt. *der ‘splijtenʼ, waarvoor zie: teren 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tornen ww., bijvorm (niet alg.-ndl.) tarnen, mnl. in ont-, op-tornen, Teuth. ont-, op-ternen. Met ar, er, or door metathesis uit re (ri) vóór dentaal, (vgl. bord, barsten, persen). De o-vorm heeft zich buiten zijn oorspr. gebied verbreid, zoo komt hij bijv. op de Veluwe voor, waar *tarnen klankwettig zou zijn. = mhd. (nhd.) trennen “splijten, scheiden, van elkaar halen” (ohd. in samenst.), het causativum bij ohd. in(t)-trinnan “zich afscheiden, wegloopen”, waarmee het intr. tornen identisch kan zijn; met ablaut ohd. antrunneo m. “vluchteling, weglooper”, abatrunni, -ig “zich afscheidend, afvallig” (nhd. abtrünnig). Germ. trinn- kan op idg. dre-n-w- teruggaan en verwant zijn met teren I: voor de formatie vgl. bij branden. Een verlengde basis dre-u- wordt ook voor ohd. zittaroh (nhd. dial. zittaroch) m., ags. tëter m. (eng. tetter), kymr. tarwyden, lat. derbita, lit. dedervinė̃, oi. dardū́-, dadrú- “huiduitslag” (e.dgl. bett.) aangenomen. Ndl. tornen zou ook = got. (af-)taúrnan “(af-)scheuren” (intr.) kunnen zijn, dat met teren I in ablaut staat; maar aangezien dit overigens niet in ’t Wgerm. voorkomt en ’t Ndl. ook ander dan o-vocalisme kent, is dat niet wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tornen, tarnen o.w., Mnl. tornen, tarnen en ternen + Hgd. trennen: oorspr. onbek., misschien een uitbreiding van den wortel van teren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

torring ww.
1. Nate losmaak. 2. Kwel, lastig val, pla. 3. Verander, wysig.
In bet. 1 en 3 uit Ndl. torren (al Mnl. in bet. 1, 1726 in bet. 3). In bet. 2 uit verouderde Ndl. torren (1561). Die alg. Ndl. vorm is tornen. In Mnl. kom dit alleen voor in afleidings met af- en ont-. Tornen het deur metatesis ontstaan uit trennen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

torring: naaisels losmaak; kwel; peuter; Ndl. tornen/torren (Mnl. o.a. ternen), deur metat. uit Hd. en Mnl. trennen, “skei”, hoofs. Germ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tornen ‘losgaan van naaisel’ -> Papiaments tòrnu (ouder: torn) ‘lostornen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tornen* losgaan van naaisel 1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut