Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toren - (hoog bouwwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toren zn. ‘hoog bouwwerk’
Onl. turn ‘hoog bouwwerk’ in turn sterke fan antscenne fiundis ‘een sterke toren voor het aangezicht van de vijand’ [10e eeuw; W.Ps.], in toponiemen ook wel zonder -n, bijv. in in supradicta uilla Turre ‘in het bovengenoemde dorp Tor’ [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel]; mnl. torn [1240; Bern], toren in boeue haddene in den toren Gevoert ‘Boeve had hem in de toren gebracht’ [1260-70; VMNW], ook nog tor(re) [1263; VMNW]; vnnl. toren ‘schaakstuk’ [1614; iWNT kasteel], ‘bouwsel van opeengestapelde gelijksoortige voorwerpen’ in een toren van speelgoed [1889; WNT].
Mnl. torre, turre, westvla. torre ontleend aan Oudfrans tour ‘hoog bouwwerk’ [12e eeuw; Rey], eerder al tur [1080; Rey], ontwikkeld uit Latijn turris ‘toren’. Nederlands toren, Duits Turm < Oudfrans *torn - blijkens Oudfrans tornele naast torele, Middelfrans tornele ‘toren’ < Latijn (accusatief) turrem.
Mhd. torn, turn (nhd. Turm, dial. nog Turn); ofri. turn. Daarnaast zonder -n: ohd. turri; owfri. tōr (nfri. toer); oe. torr (maar ne. tower is een Frans leenwoord).
Latijn turris ‘toren’ is wrsch. net als Grieks túrsis, túrris ‘id.’ een leenwoord uit een onbekende mediterrane taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toren [hoog bouwwerk] {toren, turre 1201-1225} < oudfrans tur < latijn turris [toren] < grieks turris [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toren znw. m., mnl. torn, tōren, onfrank. turn, mnd. torn, turn, mhd. torn, turn (daaruit nhd. turm), oofri. turn < ofra. *torn < lat. turrem. — Daarnaast staan mnl. torre, tor, ohd. turri, turra, die een latere ontl. uit lat. turris kunnen zijn. Daarentegen kan oe. torr m. op turrem teruggaan. In het fra. tour hebben wij eveneens ontl. uit turris; uit het fra. verder oe. tūr (ne. tower).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toren znw., mnl. torn, tōren m. Met den gewoneren mnl. vorm torre, tor m., owfri. thoer vgl. ohd. turri, turra v. en ags. torr m. “toren”, in verschillende perioden ontleend uit lat. turris “id.”. De vorm toren, onfr. turn, mhd. turn (nog opperdu. en rijnsch) m., mnd. tō̆rn, turn m. (> on. turn m.), oofri. turn is niet van mnl. torre enz. te scheiden. Men gaat wel van een fr. dial. vorm met n uit, die dan ook aan fr. tournelle “toren” ten grondslag ligt. Dan heeft mhd., nhd. turm m. “toren” (thur., oppersaks., pomm.) secundairen auslaut. De onderlinge verhouding der vormen staat echter niet vast. Opvallend is de ndl. ō, die op onfr. *torn, niet turn wijst. Uit het Fr. laat-ags. tûr m. (eng. tower) “toren”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toren m., Mnl. toren, ook, nog dial., met assim. torre, gelijk Ohd. turra en Ags. torr, uit Rom. *turn, *torn, ontstaan nevens tour (Lat. turrem, -is) uit Mlat. turnella, tornella, tornea = torentje. Eng. tower uit Fr. tour; Zw. torn, De. taarn uit Ndd. torn, Hgd. turm met m uit n ook uit Rom. *turn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

torie verouderd, (zn.) toren; Aajdnederlands turn <901-1000> < Latien turris.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toring s.nw.
1. Hoë smal bouwerk, losstaande of as onderdeel van 'n ander gebou. 2. (skaak) Een van die vier kasteelvormige skaakstukke.
Uit Ndl. toren (al Mnl. in bet. 1, 1614 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

toring: puntige bouwerk; Ndl. toren/toorn/torre/torn(e) e.a. wv. (Mnl. o.a. tor(e)n/torre), Hd. turm, Eng. tower; vorme m. ausl. -n misk. uit (veronderstelde) Ofr. torn, gaan terug op Lat. turris, Gr. tursis, “toring”.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ivoren toren, verheven positie vanwaaruit men te weinig contact heeft met de dagelijkse realiteit.

In Hooglied 7:4 wordt de hals van de geliefde vergeleken met een ivoren toren: 'Uw hals is als de ivoren toren, uw ogen zijn als de vijvers van Chesbon bij de poort Bat-Rabbim, uw neus is als de toren van de Libanon, uitziende op Damascus' (NBG-vertaling; in de NBV, Hooglied 7:5, is sprake van 'een toren van ivoor'). Mogelijk was deze bijbelplaats de aanleiding tot het gebruiken van ivoren toren als symbool van zuiverheid en beschermende kracht. De tweede betekenis, van toepassing op mensen die zich sterk individualistisch gedragen en enigszins wereldvreemd zijn, is hoogstwaarschijnlijk in de negentiende eeuw uit het Frans overgenomen. Een relatie met de bijbel is hiervoor dan ook zeer onwaarschijnlijk.

Liesveldtbijbel (1526), Hooglied 7:4. Uwen hals is gelijc eenen yvorien toorne. (Statenvertaling (1637): Uwen hals is als een elpenbeenen toren.)
Ik heb vanuit een ivoren toren makkelijk praten. Het gaat erom dat de agenten op straat -- ik noem ze weleens 'het smoel van de organisatie' -- goed kunnen functioneren. (Meppeler Courant, feb. 1993)
Mede dankzij dit soort uiteenlopende studierichtingen -- onder andere: kunst- en kunstbeleid, amerikanistiek, sociolinguïstiek, vrouwenstudies, vertaalwetenschap, lexicologie, bedrijfscommunicatie, cultuureducatie -- kan de universiteit van ivoren toren worden tot een 'open werkplaats met lage drempels'. (NRC, apr. 1994)
De omschrijving van de 3-6-9 als een negenjarige lening is een financiële logika uit een ivoren toren. Wat nu een koopje lijkt, kan over drie jaar een miskoop blijken. (De Standaard, nov. 1995)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toren (Latijn turrem, 4de nv.); (ivoren --) (vert. van Frans tour d’ivoire)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toren ‘hoog bouwwerk’ ->? Duits Turm ‘hoog bouwwerk’; Deens tårn ‘hoog bouwwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tårn ‘hoog bouwwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds torn ‘hoog bouwwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins torni ‘hoog bouwwerk’ ; Ests torn ‘hoog bouwwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands tooren, torm, toorn ‘hoog bouwwerk’; Papiaments toren; torchi ‘hoog bouwwerk’; Saramakkaans tolu ‘hoog bouwwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toren hoog bouwwerk 1201-1225 [CG II1 Floyris] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2278. (Hoog) van den toren blazen,

Vgl. nog De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1.: Minister Ruys de Beerenbrouck heeft een paar weken geleden, in zijn rede op den Limburgschen Katholieken dag, hoog van den toren geblazen zonder dat er ergens brand was uitgebroken.

een groot woord hebben, een hoogen toon aanslaan; Harreb. II, 341: Hij blaast van den toren; De Vrijheid, 12 Maart 1924, 1ste bl., p. 3 k. 1: Wie eenmaal een blauwtje liep, moet niet zoo hoog van den toren blazen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut