Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tor - (kever)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tor zn. ‘kever’
Mnl. torre in torren die ... legghen liever inder messen ende woelen ‘torren die liever in de mest liggen te woelen’ [1437; MNW-P]; vnnl. een gouwe tor ‘een gouden tor’ [ca. 1650; iWNT].
De etymologie van het alleen in het Nederlands en het Fries (tuorre, toarre) voorkomende woord is onzeker. Mogelijk moet men het verbinden met een klanknabootsend werkwoord mnd. turren ‘gonzen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tor* [kever] {tor(re), turre 1437} etymologie onzeker, maar middelnederduits turren [gonzend vliegen] geeft de suggestie dat het woord klanknabootsend is, evenals bv. dar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tor znw. v., later-mnl. torre, Kiliaen noemt het Fris. Holl., ook fri. en juts, kan verbonden worden met het ww. mnd. turren ‘gonzend vliegenʼ.

Verband met Kiliaen tort-wevel is onzeker, maar niet uitgesloten; dit woord ook oe. tordwifel, on. torðyfill (< *torðvīfill) duidt de mestkever aan en bestaat uit 1. mnl. tort, torde m, oe. tord ‘drekʼ, mhd. zurch, zürch ‘drek van dierenʼ, te verbinden met lett. dirstu ‘schijtenʼ, dirsa ‘podexʼ (P. Persson BB 19, 1893, 283) van idg. wt. *der ‘scheuren, splijtenʼ (zie: teren 1). Maar F. Specht KZ 66, 1939, 203 gaat uit van een deelw. *dṛtom, dat hij verbindt met gr. dardaíno (Hesychius) ‘bevuilʼ. — Het 2de lid is mnl. wivel, wēvel ‘kever, korenmade, glimwurmʼ, vgl. onfrank. wifil, os. mnd. wivel, ohd. wibil, wipil, oe. wifel te vergelijken met lit. vābalas, vabuolas, lett. vabuolis ‘keverʼ, vambale, vambuole ‘mestkeverʼ en verder bij weven (IEW 1115 en E. Schwentner PBB 51, 1927, 18).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tor v., Mnl. torre + Zw. en De. tor (alleen in samenst.: z. torbok): wel hetz. als Ags. dora, waarover bij darre.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tor s.nw.
1. Tipe insek. 2. Agterlike en vuil persoon.
In bet. 1 uit Ndl. tor (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel na aanleiding daarvan dat torre o.a. van verrotte plantstowwe leef en 'n agterlike en vuil persoon daarmee geassosieer word. In Ndl. word tor, as gevolg van dieselfde assosiasie, met 'n prostituut geassosieer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tor: kewer (v. d. Orde Coleoptera); (fig.) minderwaardige mens; Ndl. tor/torre (Lmnl. tor(re)/turre), hou wsk. verb. m. Mned. ww. turren, “gonsend vlie” en kn. v. herk., vlgs. dVri J NEW is verb. m. Kil se tort-wevel onseker, maar nie uitgesluit nie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tor ‘insect’ -> Papiaments tòr ‘insect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tor* insect 1437 [MNW]

Hosted by Meertens Instituut