Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toot - (spits toelopend einde)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toot* [spits toelopend einde] {tote 1599} ablautend met tuit1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toot znw. v. (zuidnl.) ‘spits toelopend einde; tuitʼ, mnl. toot ‘lange punt; tuitʼ, ne. tote ‘apexʼ, nijsl. tota v. ‘tepelʼ, toti m. ‘snuitʼ; daarvan afgeleid met -tt- ohd. tutta v., tutto m. ‘tepelʼ en verder os. tuttili o. ‘tepelʼ, mhd. zutzel ‘zuiglapʼ. — Een typisch woord, dat naast tit en tuit staat, en waarmee aangeduid wordt ‘iets dat spits toelooptʼ.

Het ijsl. heeft een grote reeks gelijksoortige woorden zoals tāta v. ‘zuigdotʼ, titta v. ‘lapjeʼ, tytja v. ‘lomp, vodʼ, tuttr m. ‘dwergʼ, tūtr ‘dreumesʼ, tūta v. ‘iets dat spits vooruitsteektʼ. Gelijksoortige formaties ook in andere idg. talen, zoals gr. tutthón ‘klein, piepjongʼ. Dit kan er op wijzen, dat het woord uit een vóórgerm. substraattaal kan stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toot znw., mnl. toot; dial. met ruime gebruikssfeer. = meng. tote “apex”, ijsl. tota v. “tepel”, toti m. “snuit”. Ohd. tutta v., tutto m. “tepel, borst van een vrouw” met niet verschoven consonanten zijn te verklaren door het onomatop. karakter van de woordfamilie. Nhd. tüttel m. “tittel” is ook al mhd., mnd.: oorspr. bet. “tit”: vgl. os. tuttili o. “tepel”; voor de bet. vgl. tittel. Met verschoven consonanten mhd. zutzel m. “zuiglap”. Met ablaut tuit. De ww. ags. totian “uitsteken”, tŷtan “schitteren” (voor de bet. vgl. hd. hervorleuchten) maken wsch., dat deze basis niet van huis uit onomatop. is zooals die van tit. We zouden oi. duvás- “vooruit dringend, voortstrevend” en verwanten (zie touwen) kunnen combineeren (zeer onzeker).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

toot. Ags. totian ‘uitsteken, te voorschijn komen’ heeft wsch. ô en behoort dan niet in dit verband. — Zie nog bij tittel Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toot v. (in alle bet.), Mnl. toot, tote + Meng. tote = punt, IJsl. tota = tepel, toti = snuit: abl. bij tuit. De 1e bet. is punt, van daar bek, snuit enz. Voor tootje = zoen, vergel. bekje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut