Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tooi - (opschik, versiering; (verouderd) kledij, dracht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tooien ww. ‘sieren’
Vnnl. toyen ‘versieren’ in als ghetoyde druyts ‘als opgedirkte dwazen’ [ca. 1530; iWNT].
Hetzelfde woord als touwen ‘kloppen van leer en andere bewerkingen na het looien’, in het Middelnederlands ook ‘gereed maken, maken’. Het vertoont dezelfde variatie als → looien naast mnl. louwen en (Het) Gooi naast → gouw 1.
Ohd. zouwen, got. taujan; Oernoords tawido ‘ik maakte’ [4e eeuw] en tawida ‘hij maakte’ [2e eeuw]; < pgm. *taujan ‘maken’.
Wrsch. verwant met: Grieks dúnasthai ‘in staat zijn tot’; Tochaars A tswatär, Tochaars B tswetär ‘voegt zich aaneen’; bij de wortel pie. *deuh2- ‘aaneenvoegen, binden’ (LIV 123).
tooi zn. ‘opschik’. Mnl. tooy ‘kleding; tooi, opschik’ in Gawyn sach op den ouden man Die enen swarten toi hadde an ‘Gawein keek naar de oude man die zwarte kleding droeg’ [1415-35; MNW-P]. Afleiding van tooien.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tooi

Het zelfstandige naamwoord tooi is de stam van het werkwoord tooien. Eigenlijk is tooien: gereedmaken, vervaardigen, een betekenis die men nog terugvindt in de samenstelling voltooien. Tooi werd vroeger gebruikt in de zin van: manier om zich te kleden, dracht, mode. In de zestiende eeuw bestond de zegswijze: naar de tooi staan voor: belust zijn op mooie kleren. Vandaar dat tooi gaat betekenen: kostbare kleding, zoals in bruidstooi. Daarbij zijn de sieraden inbegrepen, zodat tooi ook gaat betekenen: sieraad, versiering. Men spreekt van een bos in herfsttooi doelend op het goudgele gebladerte. Een ander woord voor tooi is: opschik of opsmuk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tooi znw., later-mnl. tooy m. Van tooien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tooi ‘opschik, versiering; (verouderd) kledij, dracht’ -> Schots † toy ‘linnen of wollen kap met een platte kruin en een achterflap tot de schouders, gedragen door getrouwde en oudere vrouwen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut