Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tong - (orgaan in de mond; platvis (Solea solea))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tong zn. ‘orgaan in de mond; platvis (Solea solea)’
Onl. tunga ‘tong (lichaamsdeel)’ in mendida undir tungon minro ‘ik jubelde met mijn tong’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. tunge ‘tong (lichaamsdeel)’ [1240; Bern.], dietsche tonghe ‘volkstaal’ [1265-70; VMNW], tong ‘tong (lichaamsdeel)’ [1332; MNW-P], ‘vissoort’ in schollen, hieken, botten ende tonghen [15e eeuw; MNW].
Os. tunga (mnd. tunge, tonge); ohd. zunga (nhd. Zunge); ofri. tunge (nfri. tonge); oe. tunge (ne. tongue); on. tunga (nzw. tunga); got. tuggō; < pgm. *tungō- ‘tong’.
Verwant met: Vroeglatijn dingua (waaruit klassiek Latijn lingua onder invloed van linguere ‘likken’); Sanskrit jihvā́-; Avestisch hizū-; Oudpruisisch insuwis, Litouws liežùvis (onder invloed van liẽžti ‘likken’); Oudkerkslavisch językŭ, ook ‘taal’ (Russisch jazýk); Oudiers tengae; Armeens lezu; Tochaars B kantwo (met metathese); alle ‘tong’, < pie. *dnǵh-uh2- (IEW 223).
De vis heet wrsch. zo vanwege de overeenkomst van zijn vorm met die van het orgaan in de mond.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tong* [orgaan in de mond] {oudnederlands tunga 901-1000, middelnederlands tong(e), tung(e)} oudsaksisch, oudnoors tunga, oudhoogduits zunga, oudfries, oudengels tunge, gotisch tuggo; buiten het germ. latijn lingua < dingua, oudiers tengae, welsh tafawd (vgl. langet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tong znw. v., mnl. tonghe, tunghe v., onfrank. tunga, os. tunga, ohd. zunga (nhd. zunge), ofri. oe. tunge (ne. tongue), on. tunga, got. tuggō. — olat. dingua (> lat. lingua onder invloed van lingō ‘likken’).

Alleen germ. en lat. Daarnaast staan in andere idg. talen woorden, die wel gelijken, maar niet identiek zijn: oiers tenge, oi. jihvā, osl. językŭ, opr. insuwis (IEW 223). — Men kan denken aan taboeverschijnselen, die het woord veranderd hebben, maar in dat geval is het moeilijk tot de oervorm door te dringen. — De vormen arm. lezu, oiers ligur (hapax!) kunnen evenals lit. liežùvis doen vermoeden, dat de anlaut toch inderdaad een l was en dan kan men verbinden met gr. leíchō, lat. lingō ‘likken’ (Fay JEGPh 3, 1901, 95, die dan verder aanneemt, dat olat. dingua op invloed van dens en de germ. woorden op die van tand zouden berusten). Andere even onzekere vermoedens bij Petersson Idg. Heterokl. 1921, 41 vlgg; Güntert Über Reimwortbild. 1914, 200, Loewenthal WS 9, 1923, 191.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tong znw., mnl. tonghe (tunghe) v. = onfr. tunga, ohd. zunga (nhd. zunge), os. tunga, ofri., ags. tunge (eng. tongue), on. tunga, got. tuggo v. “tong”. Uit idg. *deñĝhwâ- (*dṇ̃ĝhwâ -), evenzoo oud-lat. dingua, lat. lingua (met umbrosamnitische l < d of beïnvloed door lingere “likken”) “tong”. Niettegenstaande den anderen anlaut niet te scheiden van obg. jȩzykŭ, opr. inzuwis, lit. lëżùwis (vervormd naar lë̃żti “likken”) “id.”, evenmin van ier. tenge “id.” (zd > ier. t is wel aangenomen: ook – waarschijnlijker – kruising met het kelt. woord voor “tong”, dat mkymr. tafawt luidt). Onzeker is de verhouding tot oi. jihvā́-, juhū́- “id.”. — Tong als vischnaam, reeds mnl., is ’t zelfde woord, overdr. gebruikt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tong. De opr. vorm is insuwis.
De pogingen om de ar. vormen aan de overige vast te redeneren (Petersson Idg. Heterokl. 41 vlgg.; Güntert Reimw. 200; Loewenthal WuS. 9, 191) zijn alle zeer gewaagd. Men zal moeten rekenen met zeer oude vervormingen, die evenals bij andere namen van lichaamsdelen (zie oog Suppl.; vgl. ook hart en hart Suppl. en lever) het construeren van een gemeenschappelijke grondvorm bemoeilijken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tong v., Mnl. tonghe, Onfra., Os.tunga + Ohd. zunga (Mhd. zunge, Nhd. id.), Ags. tunge (Eng. tongue), Ofri. tunge, On. tunga (Zw. id., De. tunge), Go. tuggo + Arm. lezu, Lat. lingua, Oier. tenge, Osl. jȩzykŭ, Lit. lëžùvis: sommige met l voor d, onder invloed van den wortel van likken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tóng (zn.) tong; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) tong, Aajdnederlands tunga <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tong s.nw.
1. Beweeglike orgaan in die mond van mense, diere en insekte. 2. Iets wat aan 'n tong (tong 1) herinner. 3. Simbool van spraak. 4. Tong (tong 1) van 'n geslagte dier as gereg.
Uit Ndl. tong (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1520 in bet. 4).
D. Zunge, Eng. tongue.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tong (de, -en), (ook:) 1. nog niet ontplooid blad van enige planten, o.m. van pompoen en enige andere soorten van de Meloenfamilie* en van palmen. Het vlechtmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit de gespleten bast van de warimbo* (), bepaalde al of niet gespleten lianen en de nog niet ontplooide bladeren (’tongen’ )van bepaalde palmsoorten als de awara* (Enc.Sur. 640). - 2. taal, i.h.b. vreemde taal. Enige minuten nadat hij zijn kamra [S, kamer] binnen was gegaan, brak Mis* Mien in een hevige huilbui los, die ruim een half uur aanhield en waarbij zij in vreemde tongen, indiaans en kromanti* sprak (Dobru 1968a: 33). - Etym.: (1) Zo’n blad is tongvormig. (2) In AN veroud. S tongo = tong; taal.
— : kleine tong, huig. Hij kon niet antwoorden op dat moment. Een graatje bakkeljauwvis in z’n achterkeel, z’n kleine tong vast blijven zitten (Cairo 1978b: 66). - Etym.: S pikin tongo (pikin = klein; tongo = o.m. tong). - Opm.: Cairo (1978b: 72; 1979b: 199) gebruikt het woord ook voor ’kittelaar’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tong: bep. orgaan in mond v. mens en dier; iets wat na ’n tong lyk; (fig.) taal; Ndl. tong (Mnl. tonghe/tunghe), Hd. zunge, Eng. tongue, gew. verb. aanvaar m. Lat. lingua uit ouer dingua, maar in twyfel getrek en nog geen uitsluitsel nie (v. dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

tonge 'land uitlopend in een smalle strook, landtong'
Ten grondslag ligt de benaming van het lichaamsdeel tong, gebruikt in overdrachtelijke zin voor stukken land die in een smalle strook uitlopen of in zee uitsteken, een landtong. Ook ter aanduiding van een spits in het land inlopend water. Vergelijk de omschrijving die Van der Aa geeft van de Tongplaat, een polder in de Biesbosch: "ontleent zijnen naam van de gedaante der plaat, waarop hij is ingekaad en die de gedaante had van eene menschentong"1. Oudere voorbeelden: 14e eeuw in loco qui dicitur Sneltonge (Brabant), 1420 die Tonghe (→ Oude-Tonge), 1634 Roelif Symonsz. tong (land te Assendelft). Verwant is tange 'zandrug in hoogveen', een toponymisch grondwoord dat met name in Westerwoldse plaatsnamen voorkomt.
Lit. 1Van der Aa 11 296.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

In tongen spreken, in goddelijke extase in onverstaanbare taal iets belangrijks verkondigen.

Het in tongen spreken is een gave van God, die onder meer plaatsvond toen de Heilige Geest over Jezus' discipelen werd uitgestort tijdens het Pinksterfeest. Vergelijk ook Handelingen 10:44-46, 'Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken' (NBG-vertaling). In de NBV komt de frase niet meer voor en is gekozen voor de formulering 'in klanktaal spreken'.

Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 10:46. Want si hoorden dat si met tongen spraken ende god groot maecten. (Statenvertaling (1637): Want sy hoorden haer spreken met [vremde] talen.)
Grijpstra vertelde dat zijn oom Jo zaliger, die op het land woonde waar de kinderen niet worden ingeënt en voor de koningin haar verjaardag wordt gevlagd, van de Pinkstergemeente was en zieke mensen genas. 'Ooit iemand beter van geworden?' Niet bij Grijpstra's weten. Oom Jo, door heiligheid bezeten, praatte soms in vreemde tongen. (J. van de Wetering, Drijflijk, 1993, p. 42)
Er zijn geleerden die beweren dat de wereld een tekst is die door hen spreekt (een beetje zoals dwepers die in tongen spreken en beweren dat hun geraas hun van God zelve is ingegeven). (NRC, juni 1994)
Zo, sprekend in tongen, meer dan een tikkeltje aangeschoten, aan de arm van mijn moeder alsof hij niet mijn oom was, haar zwager, maar een oude casanova, eindelijk tot rust gekomen in gezelschap van de vrouw bij wie hij zijn laatste jaren zou slijten, zo verliet oom Herman de bibliotheek om er nooit meer te komen. (M. Möring, In Babylon, 1997, p. 31)

Met twee tongen spreken, dubbelhartig zijn, onbetrouwbaar zijn; twee verschillende, tegenstrijdige opvattingen verkondigen.

Dit kan een algemeen bekend beeld zijn, maar is mogelijk ook beïnvloed door 1 Timoteüs 3:8-9, 'Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten' (NBG-vertaling). In de NBV luidt het parallelle tekstdeel: 'Hij moet oprecht zijn'.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Timoteüs 3:8. Desgelijcs, die dienaers sullen redelick zijn, niet met twee tongen sprekende, geen wijnsuypers niet gierich scandelics ghewins. (Statenvertaling (1637): niet twee-tongigh.)
In Speed-the-Plow zweemde een secretaresse naar een rol met diepte: een naïeve, blanco vrouw die, misschien, misschien, wie weet, wie weet, met twee tongen spreekt. (NRC, okt. 1994)
Maar het zou zuiverder zijn geweest als u had geamendeerd. Dat is het dubbele dat erin zit. Wij krijgen straks natuurlijk een nota van wijziging en de staatssecretaris spreekt op die manier met twee tongen. (Tweede Kamer, nov. 1995)

Vurige tongen, vuurtongen, tongen van vuur, verschijnsel dat plaatsvond bij de uitstorting van de Heilige Geest op Jezus' discipelen tijdens het Pinksterfeest na zijn dood; (fig.) karakterisering van enthousiasme of hevige pijn.

Over de uitstorting van de Heilige Geest wordt verteld in Handelingen 2:3, 'Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten' (NBV). De herkomst van deze uitdrukking is gewoonlijk goed bekend bij de gebruikers, aangezien ze meestal rond Pinksteren en met verwijzing naar dat feest wordt gebruikt.

Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 2:3. Ende men sach aen hen die tonghen gedeelt als of si vierich hadden geweest, ende sat op eenen yegeliken onder hen. (Statenvertaling (1637): tongen als van vyer.)
Veel succes met het barbecue-kampioenschap, en veel vurige tongen! (Paul de Leeuw tegen deelnemers aan het Barbecue-kampioenschap met Pinksteren in Laat de Leeuw, VARA-televisie, 22-5-1999)
[Over blaasontsteking:] De pijnlijke, druppelsgewijze productie bij het plassen, de voortdurende aandrang van het moeten, maar niet kunnen. Alsof een vurige tong in mijn kruis was neergedaald -- wat aardig bleek te stroken met het karakter van deze christelijke feestdag. (NRC Handelsblad, 25-5-1999 (de dinsdag na Pinksteren), p. 26)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tong. De verwensing slik je tong in! betekent zoveel als ‘barst, ik minacht je’. Zij wordt gebruikt in geval van verontwaardiging en woede. Endt en Frerichs (1974: 146) geeft de uitdrukking slik je tong in, dan kun je buikspreken! en merkt daarbij op “advies tot grotere terughoudendheid. … Schijnt uit een der volkstoneelstukken van voor de oorlog (Bleke Bet?) afkomstig.” → snijden.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

tong In de betekenis ‘borrel’ in 1933 voor het eerst gevonden, in de uitdrukking vurige tong. ‘Een vurige tong moet ik hebben,’ zo heet het ergens, ‘ik lig hier te daveren van de koude.’ Onlangs is deze borrelnaam nog gesignaleerd in het oostelijk gedeelte van Noord-Brabant.
Het ligt voor de hand dat de tong in verschillende uitdrukkingen in verband is gebracht met sterke drank. Zo zei men vanaf de 17de eeuw van een lallende zatlap zijne tong slaat ijzer. Een 19de-eeuws spreekwoordenboek geeft hiervoor als verklaring: ‘Het spreekwoord is ontleend aan het spelen op de mondharp. Wanneer men het tongetje van het speeltuig niet wel raakt, veroorzaakt zulks eene valschen toon, en deze is de ijzerklank.’ In Vlaanderen zei men, om hetzelfde uit te drukken, zijne tong slaat vleesch. Beide uitdrukkingen zijn inmiddels verdrongen door zijn tong slaat dubbel.
Vergelijk pensenterger.

[Graaf; Harrebomée 1:361; Herroem 75; Nav. 3:285; Schuermans 734; Tuinman 1:121; WNT XVII1 1047]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tong ‘orgaan in de mond’ -> Negerhollands tong, ton, tung ‘orgaan in de mond’; Skepi-Nederlands tunk ‘orgaan in de mond’; Sranantongo tongo ‘orgaan in de mond’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans tongo ‘orgaan in de mond’; Saramakkaans tongò ‘orgaan in de mond’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † ton ‘orgaan in de mond’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tong* orgaan in de mond 0901-1000 [WPs]

tong* beenvis 1401-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

533. Daar valt niet mee te eggen of te ploegen,

d.w.z. daar is niet mee samen te werken, niet mee op te schieten. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw; vgl. Sart. II, 5, 56: Men mach daer mede eeren (ploegen) noch egghen, in hominem intractabilem et insuavibus moribus; X, 36: Men mach met hem eggen noch eeren; Kluchtspel II, 71: Mijn vrou, daer ick nou van daen ben ghegaen, was uytermaten quaet, men konder meê eggen noch eeren; Harreb. III, 22; Antw. Idiot. 1673: Met iemand niet kunnen eggen of eren, er niet mee uit de voeten kunnen, er niets mee kunnen aanvangen; Handelsblad, 17 Dec. 1914, p. 2 k. 4 (ochtendbl.): Maar er kunnen evengoed vakvereenigingen als steuncomité's zijn, waarmee niet valt te eggen of te ploegen; Ndl. Wdb. III, 3965.

847. Het hart op de tong (of op de lippen) hebben,

d.i. zeggen wat men denkt, van zijn hart geen moordkuil maken, openhartig zijn. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor: t Hart leyt op de tonge altoosZie G. Kalff, Verslag van een onderzoek in Engelsche bibliotheken, bl. 39.. Zie verder W.D. Hooft, Jan Saly, 18; Tuinman, II, 207; Ndl. Wdb. VI, 7; VIII, 2177; fri. it hert op 'e tonge habbe; hd. das Herz auf der Zunge haben; nd. dat hart för up de tunge hebben (Dirksen, I, 38); fr. avoir le coeur à la bouche, sur les lèvres, sur la main; eng. to have one's heart in one's mouth (or upon one's sleeve; at one's tongue's end). Vgl. ook het mlat. os habet in corde sapiens, cor stultus in ore (hier wordt gedacht aan iemand die er alles maar uitslaatVgl. Huygens, Korenbl. 2, 213: Uw hert light op uw' Tongh, maer waert ghy wat min jongh, uw' Tongh laegh in uw hert; De Brune, 286: De mond van een voorzichtigh man, light in zijn hert, of herszen-pan; het herte van een nar of zot light in zijn mond, gans zonder slot.).

2271. Op de tong rijden,

d.w.z. besproken worden, het onderwerp der gesprekken zijn (in ongunstigen zin); mnl. in tgerucht staen. Zie Kiliaen: Rijden op de tonghe. Adag. diffamari: sinistra fama divulgari; De Roovere, 131:

 De minste seydt vanden meesten quaet:
 Tvolck en can hem selven niet ghelijden.
 Tvolk doet tvolck op tonghen rijden.

Zie verder Col. v. Rijssele, Sp. d. M. 602; Six. v. Chandelier, 14; Lichte Wigger 1; Tuinman I, 201; bij Pers, 666 b en 907 a: op de tonge loopen; bij Vondel, Virg. I, 126: op allemans tong leven; Sewel, 791: Op de tong ryden, to be talked of, to be the common object of talk; Halma, 540: Op ieders tong rijden, être sur la langue du public; Harreb. II, 338; Ndl. Wdb. XI, 243; XIII, 206; vgl. het mnl. op den bec riden; het 16de-eeuwsche op der lieden snatere rijden (bij Castelein, Const. v. Rhetor. 246). In de 17de eeuw zeide men ook: op de tong zijn (ook van een liedje: algemeen gezongen worden; syn. van het 17de-eeuwsche op den naam zijnNdl. Wdb. IX, 1369.) of op 't woord zijn en iemand op de tong brengen of helpen naast op de tong raken (C. Wildsch. II, 236; Tuinman I, 39). In het Friesch: op 'e tromme wêze, op 'e rattel reitsje; in het Waasch Idiot. 344 b: gij danst op de tong van een klapschotel, er wordt kwaad van u gezeid; Antw. Idiot. 1251: op de tong rij(d)en, besproken worden in nadeeligen zin (Waasch Idiot. 656 a); bij Gunnink, 148: iemand op de klaterbaan brengen.

1059. Een kalf leggen (- maken),

d.w.z. braken; de weerstroom krijgen, zooals men in de 18de eeuw zeide, over de (of zijn) tong kakken (Waasch Idiot. 319; Antw. Idiot. 1251; Schuermans, 734; fri. oer de tonge kakke; hd. über die Zunge spucken (oder kacken; Wander V, 644Reeds in de 16de eeuw in Dryderley Refereynen ghepronuncieert opte Rhetorijckfeest der blaauwe Acoleyen van Rotterdam, anno 1561, 44 r: Ghy slockers die dick over u tongh cackt int ghelach.; in tooneeltaal in den zin van zich verspreken of wartaal zeggen (Onze Volkstaal III, 254). Deze uitdrukking wordt in sommige streken van ons land nog gebruikt, doch was in de 16de en 17de eeuw naast kalven en een kalf(je) maken, een kalfken werpen zonder hoornen, zeer gewoon; zie Kiliaen: kalven, braecken, vomere, reddere vomitum; Winschooten, 99; Harrebomée I, 375; Bouman, 50; Frequ. II, 209; Boekenoogen, 391; 1322: kalf, een guts bloed; Molema, 189 a; Gallée, 64 b: 'n kelfken anbinden; Van Dale i.v. en op kalveren (Halma, 253) en uitkalven; Schuermans, 216; Teirl. II, 104: kalven, overgeven; bl. 102; kalf, braaksel; een kalfke leggen, braken; Waasch Idiot. 319 b; 322 a; Ndl. Wdb. VII, 933; 1032; Eckart, 243: en kalw anbinden of mâken; Kluge, Stud. Sprache, 97 b: ein Kalb anbinden (oder machen) naast kälbern oder einen Fuchs schieszen oder streifen, verouderd (Borchardt, 932; Schrader, 212) of sich bekälbern naast sich behâmelnBeiträge, XXXVIII, 336.. Vgl. ook het fri.: biggelje en bigje en het gron. biggen maoken, biggen werpen, maar ook braken; en het bij Kiliaen en Schuermans, 213 vermelde kabbelen, dat jongen werpen en braken, overgeven beteekentTijdschr. XVI, 60: een vosken kabbelen sonder vel.. De Engelschen noemen het to calve, to cat of to shoot, jerk, whip the cat of to flay the fox; de Franschen écorcher ou piquer le renard, mettre le coeur sur le carreau; rendre son lard; enz.; in Zuid-Nederland spreekt men ook van een mutten (vgl. fr. mouton; eng. mutton) leggen, vastleggenNav. 1897, bl. 64; 1899, bl. 133. of een kiebeken leggen (Kempen) of lammeren (zie Loquela, 290).

De beeldspraak kalven voor braken wordt genoegzaam opgehelderd door de volgende plaats uit de Klucht van de Saus (anno 1679), bl. 5:

't Minste dat ick dronck een pont was of een half,
Soo dat ick zwangerde en baerde voort een kalf,
Hetgeen ick na de Marckt vergeten heb te stuuren.

Vgl. ook Huygens V, 65: Wacht ou wat; dees volle koeij (dronken Trijn) moet kalve; Harreb. I, 375 a: Als men braakt, zei de boer, dan drijft men een kalf zonder voeten naar de wei; Schrader, 390: Die häszlichen Laute eines schwer Erbrechenden haben eine Aehnlichkeit mit dem häszlichen Geblöke eines Kalbes.

2272. Over de tong gaan,

d.w.z. besproken worden, meestal in ongunstigen zin; syn. van 't 18de-eeuwsche: over de tong rollen (V. Effen IV, 217; Spaan, 171), op de tong rijden (zie no. 2271); over schuiten en wagens gaanN. Taalgids XIII, 135.; op de praat liggen (AsselijnTijdschrift 28, 171 en Harreb. II, 199; Cats I, 468: Veel op de straet, licht op de praet; Tuinman I, 338: Op de praat komen, dat is op de klap der labbekakken.). Iemand over de tong halen, hem bespreken, 17de eeuw iemand door den mond sleepen. Vgl. Harreb. II, 338: Hij gaat (raakt of rolt) over de tong; Het Volk, 6 April 1914, p. 7 k. 4: Eerst ging de telefoon over de tong en nu weer de waterleiding; 4 April 1914, p. 3 k. 1; 25 Maart 1914, p. 5 k. 4: Was de aandacht de vorige week in het bijzonder op de overstroomingen bij Lobith gevestigd, het einde dezer week deed de Beersche Maas weer over de tong gaan; Nkr. VII, 8 Nov. p. 7: Zij gingen door het heele dorp over de tong; S.M. 38: Jij benne overkelevere an die eidenen asse jij kaat zoo over die tong; Zoek. 262: As-ie 't vertellen zol.... dan ging 't bij de olde thuus over de tonge, dan zollen de jonges d'r over proaten; syn. over de tong rijden in De Tijd, 16 Maart 1914, p. 1 k. 5: Een man van geweten, gelijk Mgr. van Cauwenbergh is, rijdt dus nog al gauw over de tong; op de tongen komen (V. Loon, 35).

2273. Iemand de tong (af)schrapen,

d.w.z. iemand op slimme wijze uithooren, trachten iets van hem te weten te komen; eig. alles er uithalen wat er van te halen isIemand iets afschrapen beteekent ‘met geweld of door slinksche streken iets van iemand zien te krijgen, maar altijd met het bijdenkbeeld, dat men, tot op kleinigheden toe, zoo veel tracht te bekomen, als maar mogelijk is’; Ndl. Wdb. I. 1373.. Vgl. Kiliaen, 573: Schrabben iemands tonge, adag. j. wt-haelen, examinare incautum; bl. 676: tonghschrabben, callide expiscare (d.i. uitvisschen), indagare (navorschen); Winschooten, 72: Iemands grond peilen, dat is, iemands meening soeken te weeten, en gelijk men segt, de tong te schrappen; R. Ansloo, 421: Wat vangt gy dan myn knapen? Wat hebt gy daer meê voor? - Om hun de tong te schrapen, of gy hem lagen leit; Hooft, Ned. Hist. 408: Deeze gingen hem met veel tongschraapens aan; Tuinman I, 314: Ymand de tong schraapen, dit zegt, door uitvragen iets van ymand zoeken te hooren; Sewel, 791; Halma, 646: Iemand de tong schraapen, iemand looslijk uithooren, tirer les vers du nes à qqnOok in het hd. einem die Würmer aus der Nase ziehen.; De Vries, 101: Iemand de tong afschrapen, iemand een geheim ontlokken; A. Jodenh. II, 34: Je mot je niet geneere voor ons, as je wat te zegge het, doe 't dan maar gerus, en as je 't nie wil vertelle.... nou óók goed, ik zal jouw de tong niet sjrape (je niet tot spreken dwingen), sprak Raatje. In Zuid-Nederland: iemands tonge vlaan of vladen (d.i. villen), pellen of pelen, iemand uithooren. Ook op de Deensche Antillen is in het Negerhollandsch deze uitdr. nog bekend; vgl. Hesseling, 139: ju suk for skraep mie Tong, je wilt iets van me te weten komenIn het Zaansch beteekent tong schrapen praten, inz. praten dat niets geeft, nuttelooze praat (Boekenoogen, 914).. Syn. iem. een kies trekken (V. Loon, 35).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut