Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toneel - (podium; (toneel)scène; toneelwezen; schouwspel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toneel zn. ‘podium; (toneel)scène; toneelwezen; schouwspel’
Mnl. eerst ten tineele ‘in de verblijfplaats’ of ‘in het gevolg’ [1342; MNW], voor ons taneel ‘voor onze tribune’ [1483; MNW]; vnnl. dan theuneel ‘tribune’ [1539; Claes 1997], Tanneel ‘verhoging om toneel te spelen’ [1574; iWNT], op t' Tonneel ‘op het podium’ [1584; Lipsius], opt Toneel ‘id.’ [1587; Spiegel], Eerste Toonneel ‘eerste scène’ [1615; iWNT], Tooneel (‘het toneelbedrijf’) en tooneelspelen [1661; iWNT]; nnl. talenten voor het tooneel ‘talenten voor het toneelspel’ [1793; iWNT].
Ontleend aan Frans tinel ‘verblijf, gevolg’ [1223; Godefroy], waarbij de onbeklemtoonde eerste lettergreep in het Nederlands via ta- werd vervormd tot to-, mede onder volksetymologische invloed van het werkwoord → tonen. De herkomst van het Franse woord is onduidelijk. Er is wel verondersteld dat tinel, dat ook ‘lage eetzaal voor het gevolg’ betekende [1463; Godefroy], ontleend is aan Italiaans tinello ‘id.’ [1374; DELI], een afleiding van tino ‘wijnkuip, vat’ [1284; DELI], een voortzetting van Laatlatijn tinum, variant van tina ‘wijnfles’ waarvan men aanneemt dat het via het Etruskisch is ontleend aan Grieks dĩnos ‘draaiing, ronde vloer’, ook ‘rond vat’. Een probleem is dan wel de late datering van deze betekenis in het Frans en Italiaans. Er is ook wel aangenomen dat de eigenlijke betekenis van tinel ‘stellage’ is (waarop bijv. vorst en gevolg zaten), oorspronkelijk ‘balkje, dikke stok’. Dan kan tinel afgeleid zijn van tin, eerder al tintz ‘stutblok’ [1465; TLF], ontleend aan provençaals tin, eerder al tind ‘stapel, stellage’, dat vermoedelijk van Keltische origine is.
Lit.: J. Lipsius, Twee boecken vande stantvasticheyt, ed. H. van Crombruggen, Antwerpen (1948), 25; H.L. Spiegel, Twe-spraack. Ruygh-bewerp. Kort begrip. Rederijck-kunst, ed. W.J.H. Caron, Groningen (1962), 185

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toneel [podium, schouwspel] {theuneel 1538} via middelnederlands tan(n)eel [tribune, stellage] van tineel [tribune, gevolg, feestelijkheid, receptie] {1342} o.i.v. tonen met o < oudfrans tinel [dikke stok, balkje], van tin [stapelhout, stapelblok, stellage] < provençaals tin [idem], ouder tind, vermoedelijk van gallische herkomst.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

toneel

Dat het woord toneel samenhangt met het werkwoord tonen lijkt wel zeer voor de hand te liggen. Op het toneel immers wordt ons allerlei vertoond. Toch is deze verwantschap slechts schijn. De wetenschap die zich bezighoudt met de afleiding der woorden, kan dat bewijzen. Er bestaat een oud woord taneel dat: stellage, getimmerte betekende. Dit taneel is ontstaan uit een nog ouder woord tineel dat ontleend is aan het oud- Franse tinel. Tinel betekende: hofstoet, gevolg; vandaar ook: zaal waar de hofstoet placht verblijf te houden. Zo ontstond de betekenis: plaats voor de aanzienlijken onder het publiek, dus: verhoogde zitplaats. Zo komen we tot: stellage, aanvankelijk voor de beter gesitueerde toeschouwers, later voor de toneelspelers. Dan breidt de betekenis zich uit tot: wat met toneelspeelkunst en schouwburg in verband staat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toneel znw. sedert de 16de eeuw ontstaan uit mnl. tanneel, taneel, ouder tineel, teneel ‘tribune, stellage’ (ook ‘gevolg; feestelijkheid’) < ofra. tinel ‘gevolg, hofstoet’, eig. ‘eetzaal van het gevolg’ < ital. tinello ‘kuip (vgl. J. W. Muller Ts. 18, 1899, 219-237). — In het mnl. ontwikkelde zich de bet. ‘estrade voor de aanzienlijken onder het publiek om een staatsie te kunnen aanschouwen’, dan werd het gebruikt voor ‘stellage voor het vertonen van toneelstukken’ en nu lag het voor de hand verband met het ww. tonen te leggen, waardoor de vorm toneel ontstond.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tooneel znw. o., sedert de 16. eeuw. Door de bijgedachte aan toonen ontstaan uit ta(n)neel “stellage, getimmerte”, toen men dit woord speciaal op de “bühne” ging toepassen. Ta(n)neel, ouder teneel, tineel o. (reeds in de 14. eeuw) is het ontleende ofr. tinel “gevolg, hofstoet, eetzaal van ’t gevolg, staatsie”. De bett. “gevolg, logement, staatsie” komen ook bij het mnl., oudnnl. woord voor: vgl. de uitdr. sijn ta(n)neel, tineel houden (= ofr. tenir son tinel). De speciaal ndl. bet. “estrade (voor de aanzienlijken onder het publiek), stellage” is wsch. uit de laatstgenoemde bet., misschien onder invloed van deze uitdr., ontstaan. Voor voortonige a < i, e vgl. latierboom.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tooneel o., onder invloed van toonen vervormd uit Mnl. taneel, tineel, uit Ofra. tinel = estrade, plechtig onthaal, hofstoet; als de eerste bet. estrade is, kan het een afl. zijn van tine: z. tijne.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toneel s.nw.
1. Verhoog waarop 'n opvoering plaasvind. 2. Plek waar iets, veral 'n reeks gebeurtenisse, plaasvind. 3. Alles wat op 'n verhoog te sien is, dekor. 4. Afgebakende, onderskeie deel van 'n bedryf. 5. Aanskoulike gesig, reeks gebeurtenisse wat hulle voor die geestesoog voltrek.
Uit Ndl. toneel (Mnl. tineel, taneel, teneel in bet. 1, 1561 in bet. 2, einde 16de eeu in bet. 3, 1616 in bet. 4, 1632 in bet. 5). Die o van Ndl. toneel het ontstaan onder invloed van assosiasie met die ww. tonen 'laat sien, wys' (sien 3toon), en is eerste by Kiliaan (1588) aangetref in die vorm toonneel. Die bet. van Mnl. tineel, taneel, teneel was 'gevolg, feestelikheid, tribune' waaruit, al in Mnl., die bet. 'stellasie waarop 'n vertoning gegee word', dus 'verhoog'.
Mnl. tineel, taneel, teneel uit Oudfrans tinel 'dik stok, balkie', met lg. van tin 'stapelhout, blok hout, stellasie'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

toneel: verhoog (bv. v. skouburg); deel v. ’n bedryf; plek (waar iets gebeur); Ndl. toneel (sedert 16e eeu uit Mnl. tan(n)eel naas te-/tineel, “stellasie, verhoog”) via Ofr. tinel, “gevolg, hofstoet”, uit It. tinello, “kuip” – die o in eerste letg. v. Ndl./Afr. wsk. d. byg. aan (ver)toon.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toneel (Oudfrans tinel)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tooneel, van toonen, met ’t Romaansche achtervoegsel eel, als b.v. in houweel van houwen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toneel ‘toneelspel, voorstelling’ -> Fries toaniel ‘toneelspel, voorstelling’; Duits dialect Toneel ‘toneelspel, voorstelling’; Indonesisch tonéél, tonil ‘theater, podium; toneelspel, voorstelling’; Javaans tonil ‘Europese toneelvoorstelling’; Madoerees tonīl ‘toneelspel, voorstelling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toneel podium, verhoging in schouwburg 1539 [Claes]

toneel toneelspel, voorstelling 1921 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut