Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tondel - (licht ontvlambare stof)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

tondel zn. ‘licht ontvlambare stof’
Middelnederlands tunder ‘stof om vuur mee te slaan’ (1477), Nnl. tonder o. ‘licht ontvlambaar materiaal, zoals dorre bladeren, niet geheel verkoold linnen of katoen, gedroogde zwammen’ (1617; na de 19e eeuw niet meer gebruikelijk), tondel (1705), tontel o. (1692), tuntel (1743); verder tondeldoos (1686), tonteldoos (1681). Met de klinker i of e: Middelnederlands tendelen ‘doen ontvlammen’ (ca. 1470, Zuidwest-Limburg), Nnl. tintel o. ‘tondel’ (1618; sinds de late 18de eeuw verouderd).
In dialecten: (a) tonder in Zuid- en Noord-Holland en Twente, tontel in Limburg en Noord-Holland, tuntel, tundel in de Achterhoek, tunder, tunner in Groningen, tonter in Drente; (b) tintel in West-Vlaanderen, Zeeland en Zuid-Holland, sporadisch ook tintel, tentel in Brabant, Limburg en West-Vlaanderen, tendel, tentel, tintel in het Nederrijns en noordelijk Ripuarisch.
Ontlening van het woord uit het Duits in de 16e of 17e eeuw, zoals het Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries (1971) voorstelt, is gezien de dialectvariatie binnen het Nederlands niet aan de orde. De brede verspreiding van tintel(doos) in het Zuidnederlands en de attestatie van tendelen in 1470 wijzen erop dat tintel op tentel berust, en uit ouder *tendel is voortgekomen met invoering van de t van tontel.
Verwante vormen: (a) Middelnederduits tunder, Oudhoogduits zuntara v. ‘ontvlambaar materiaal’, zuntil m. ‘aansteker’, Middelhd. zunder o. ‘tondelzwam’, zündel m./o. ‘ontvlammer’, Nhd. Zunder ‘ontvlambare stof’; Oudengels tynder, tyndre v., MoE tinder ‘tondel’. (b) Got. tandjan ‘in brand steken’, Mhd. enzenden, OE ontendan, MoE dial. teend, tind ‘id.’, Deens tænde, Zweeds tända < *tandjan-.
Etymologie: (a) Voor het zn. mogen we West-Germaans *tundra- n. ‘tondel’ en *tundila- ‘tondel’ reconstrueren. Dezelfde wortel *tund- zit ook in de Proto-Germaanse werkwoorden *tundēn- ‘branden’ (Duits zünden), *tundnan- ‘ontbranden’ (Go. tundnan) en *tundjan- ‘in brand steken’ (Ohd. zunten), en het wel of niet optreden van umlaut in tonder/l is waarschijnlijk mede beïnvloed door die werkwoorden. (b) Daarnaast bestond PGm. *tandjan- ‘in brand steken’, waarvan Mnl. tendelen en Nnl. tendel, tintel afstammen.
Germaans *tand-jan- en *tund-ra-, *tundila- kunnen als PIE *dondh-eie- resp. *dndh-ro-, *dndh-elo- gereconstrueerd worden, maar er is geen passende wortel bekend.
[Gepubliceerd op 26-01-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tondel*, tonder [licht ontvlambare stof] {tonder, tunder 1477, tondel 1691} oudhoogduits zunt(a)ra (hoogduits Zunder), oudengels tynder, tyndre (engels tinder), oudnoors tundr, van het ww. middelnederlands tendelen [doen ontvlammen], oudhoogduits zunten (hoogduits zünden), oudengels -tendan, oudnoors tend(r)a, gotisch tandjan; vgl. zweeds tändstickor, mv. van tändsticka [lett.: vuurstokje, lucifer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tondel, tonder znw. o., eerst na Kiliaen bekend, in de 17de eeuw overgenomen uit het duits, vgl. mnd. tunder m., ohd. zuntil m., zundira v. (nhd. zundel, zunder), oe. tynder, tyndre v. (ne. tinder); on. tundr waarsch. uit het mnd. — Abl. daarnaast ohd. zantaro ‘gloeiende kool’, on. tandr ‘vuur’ en mhd. enzenden, oe. ontendan, got. tandjan bij het sterke ww. mhd. zinnen, oe. tinnan ‘branden’.

Geen verdere verbindingen buiten het Germ.; de verbinding met iers ad-andai ‘hij steekt aan’ (Thurneysen IF Anz. 33, 1913-4, 32) is hoogst onzeker. Dan eerder overgenomen uit een substraattaal. — Een oudere, mogelijk oorspr. vorm is tintel, sedert 1618 bekend (Cats), maar reeds sinds het eind der 18de eeuw verouderd, nu nog sporadisch in dialecten in het Z.W. (nu alleen nog Katwijk aan Zee). Later treedt daarnaast op tontel, dat nu nog voorkomt in N. Holl., Z. Limb, en de Achterhoek en dat evenals tonder en tondel uit het (neder)duits zal overgenomen zijn (vgl. Ν. Bakker, Album Blancquaert 1958, 339-343 met kaart).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tondel, tonder znw. o., niet uit Kil. of het Mnl. bekend. = ohd. zuntil m., zundira v. (nhd. zundel, -er m.), mnd. tunder m., ags. tynder, tyndre v. (eng. tinder), on. tundr o. “tonder”. Bij ohd. zunten (nhd. zünden) “in brand steken, aansteken”; in gelijke bet. het ablaufende ags. on-tendan (eng. to tind), on. tenda, got. tandjan. Met intr. bet.: got. tundnan, ohd. zuntên “branden”. Verder: ohd. zantaro m. “gloeiende kool”, on. tandri m. “vuur, vonk”, ohd. zinsilo (germ. *tenð-slan-) m. “tonder”, on. tinna v. (*tenð-nôn-) “vuursteen”. Oorsprong geheel duister.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tondel. Een combinatie buiten het Germ., die ook na Loewenthal WuS. 10, 166 althans mogelijk moet heten, is die met ier. ad-andai ‘hij steekt aan’ (vermoeden van Thurneysen IF. Anz. 33, 32); een bezwaar is dat het prefix, waarvan de germ. t- de rest zou zijn, zo radicaal zou zijn gereduceerd dat er in geen taal meer iets van te zien is (vgl. tonen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tondel o., + Ohd. zuntil (Mhd. zundel, Nhd. id.), waarnevens Ohd. zuntara (Mhd. zunder, Nhd. id.), Ags. tynder (Eng. tinder), On. tundr (Zw. tunder, De. tonder): afleid. van het werk., waarvan tintelen (z.d.w.) het frequent. is. Uit het Germ. komt Fr. tondre = vonk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tontel s.nw. (verouderend)
Maklik ontvlambare stof wat met 'n vonk uit 'n vuurklip 'n vlammetjie maak.
Uit gewestelike Ndl. tontel (al Mnl.). Vir Ndl. tondel (Mnl. tonder) is, behalwe tontel, verskeie gewestelike vorme bekend, o.a. tundel, tuntel, tunder en tonter. Omdat die saak in onbruik geraak het, is die woord in sowel Ndl. as Afr. aan die verouder. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1706 (Scholtz 1972: 102).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1837).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

tontel: ontvlambare stof v. tonteldoos; Ndl. tondel/tonder/tundel/tunder/tuntel/tontel (oor d/t vgl. laventel), Eng. tinder, Hd. zundel/zunder, hou verb. m. Hd. zünden, dial. Eng. tind, “aan d. brand steek”; vgl. ook sundgat.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tonder, of tondel, van den Germ. wt. tend = branden, gloeien; zie Tintelen; en vgl. ’t Fr. tondre = vonk. Ook op de lucifersdoosjes: Tandstickor = brandsteker; en ’t Hgd. Zündhölzchen; letterlijk brandhoutjes, zooals ook de Transv. Boeren voor lucifers zeggen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tondel ‘licht ontvlambare stof’ -> Zuid-Afrikaans-Engels tontel- ‘prefix voor namen van planten met licht ontvlambare delen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tondel* licht ontvlambare stof 1691 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut