Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tomaat - (plant (Solanum lycopersicum); vrucht van deze plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tomaat zn. ‘plant (Solanum lycopersicum); vrucht van deze plant’
Nnl. eerst een geïsoleerd geval: de “Tamati”, of schulpvrucht ‘de tomaat of schelpvrucht’ [1711; De Bruin], de “tomato” der woestijn [1838; Irving], tomato- en andere sausen [1840; iWNT], Pompoen, Komkommer, Tomaat [1848; Uilkens].
In de 19e eeuw aanvankelijk ontleend aan Engels tomato ‘tomaat’ [1753; OED], mogelijk een aanpassing aan potato ‘aardappel’ van ouder tomate ‘tomaat’ [1604; OED], later ontleend aan Frans tomate ‘id.’ [één geval 1598, dan 1765; TLF], in beide talen ontleend aan Spaans tomate ‘id.’ [1532; Friederici], een ontlening van tómatl, een woord uit het Nahuatl (de taal van de Azteken in Mexico), dat een afleiding is van tomana ‘zwellen’. Het woord tamati uit 1711 is opgetekend in Batavia, bij de uitleg van een afbeelding van allerlei daar groeiende vruchten. De herkomst van de slot-i is onduidelijk, maar kan misschien verklaard worden als een mislezing van tomatl.
Een oudere naam voor tomaat was gulden appel [1554; Dodonaeus], vergelijk Italiaans pomodoro, pomo d'oro, eig. ‘appel van goud’. In de 17e eeuw was al bekend dat deze vrucht in Milaan tumatle werd genoemd [1608; Dodonaeus].
Lit.: C. de Bruin (1711), Reizen over Moscovie, door Persie en Indie, Amsterdam, 365; W. Irving (1838), Lotgevallen en ontmoetingen van Kapitein Bonneville 1, Haarlem, 30; T.F. Uilkens (1848), Handboek voor den Nederlandschen tuinbouw, Groningen, 235

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tomaat [vrucht] {1608} < spaans tomate (deels misschien via frans tomate) < nahuatl tómatl, van tomana [zwellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tomaat znw. v., < fra. spa. tomate < mexikaans nahuatltaal tomatl ‘vrucht dienende voor het zuurmaken van vleesspijzen’ (Lokotsch Etym. Wb. der am. Wörter 1926, 62).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tomaat znw., nnl. Internationaal woord. Via ’t Spa. uit ’t Mexicaansch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tomaat. De mexic. grondvorm is tomatl. Vgl. nog Loewe KZ. 61, 95 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tomaat v., door Sp. tomate, uit Mexik. tomatl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

temat (zn.) tomaat; Nuinederlands tomate <1197> < Spaons tomate.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tamatie s.nw.
Sappige rooi vrug wat rou of gaar geëet word.
Uit gewestelike Ndl. tomate (1608). Die plant is aanvanklik in Ndl. as sierplant gekweek, maar sedert die middel van die 19de eeu is die vrugte ook geëet.
Ndl. tomaat, gewestelik tomate, uit Sp. tomate, en gewestelik uit Fr. tomate.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Tomaat’familie (de), Nachtschadefamilie, een familie van tweezaadlobbige planten, bloemen klok- of stervormig, vrucht vaak een bes (Solanaceae). - Etym.: Genoemd naar tomaat (Solanum lycopersicum).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tamatie: vrug- en pln. (Lycopersicum esculentum, fam. Solanaceae); Ndl. (na Kil) tomaat, Fr. en Sp. tomate, uit Nah. tomatl, met Afr. a uit swak beklemt. o in eerste letg. en -ie uit slot-e (d.w.s. uit vorm soos tomate, misk. uit mv. tomates) in laaste letg.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tomaat (Spaans tomate)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tomaat ‘vrucht’ -> Noord-Sotho tamati ‘vrucht’ ; Tswana tamati ‘vrucht’ ; Xhosa tumato ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe tamatisi ‘vrucht’ ; Zuid-Sotho tamati ‘vrucht’ ; Shona domasi ‘vrucht’ ; Indonesisch tomat ‘vrucht’; Jakartaans-Maleis tomat ‘vrucht’; Javaans tomat ‘vrucht’; Madoerees tomat ‘vrucht’; Menadonees tamatè ‘vrucht’; Sranantongo tomati ‘vrucht’; Aucaans tomati ‘vrucht’; Sarnami tamáti ‘vrucht’; Surinaams-Javaans tomatis, tomat ‘vrucht’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aardbei. Typisch Nederlands is de benaming aardbei voor een vrucht die inderdaad dicht bij de grond groeit; het tweede deel van het woord, bei, is ontleend aan het Franse baie 'bes'. Aardbei wordt in het Nederlands sinds 1597 gebruikt; voordien, al in de dertiende eeuw, gebruikte men in plaats van bei de vormen bere of besie (erdbere, erdbesie), die eveneens 'bes' betekenden - vergelijk de Duitse naam Erdbeere.

In het Indonesisch is aardbei overgenomen als arbéi. Het Indonesisch heeft ook andere Nederlandse vruchtennamen geleend, vergelijk bijvoorbeeld apel 'appel', prambos/frambos 'framboos', murbéi/murbai 'moerbei' en pér 'peer'. De Nederlanders hebben dus hun vruchtensoorten en -namen meegenomen naar Indonesië, maar ze hebben ook diverse Indonesische vruchten, met hun namen, mee teruggenomen naar Nederland, bijvoorbeeld katjang 'pinda', klapper 'kokosnoot', pisang 'banaan' en sirih 'betelnoot'. Er heeft in het verleden dus een drukke culinaire uitwisseling plaatsgevonden.

Opvallend is dat het Nederlandse woord tomaat door het Indonesisch is overgenomen als tomat: tomaten zijn immers niet inheems in de Lage Landen, maar geïmporteerd uit Amerika. In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw werd de plant in de Nederlanden alleen als sierplant gekweekt, en soms genuttigd als geneesmiddel. In de loop van de negentiende eeuw werden tomaten geleidelijk steeds vaker als vrucht of groente gegeten, maar pas begin twintigste eeuw werd dit algemeen. Het woord zal dan ook pas in die periode door het Indonesisch zijn overgenomen. Ook de verbindingen tomatenpuree, tomatensla en tomatensoep zijn ontleend aan het Nederlands; ze luiden in het Indonesisch puré tomat, selada tomat en sup tomat. En ook enkele Nederlandse verbindingen met andere vruchtennamen zijn door het Indonesisch geleend, vergelijk mus apel 'appelmoes', setrup apel 'appelstroop', tar apel 'appeltaart' en setrup pér 'perenstroop'. Al deze verbindingen hebben de normale Indonesische woordvolgorde gekregen, waarbij de bepaling na het hoofdwoord staat.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tomaat vrucht 1608 [WNT] <Spaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut