Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tollenaar - (ambtenaar die belastingen, pacht e.d. inde, vooral ten tijde van Christus in Palestina)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tol 2 zn. ‘doortochtgeld’
Onl. tol ‘tol’ in Cathentol ‘tol te Katen’ [973, kopie 1473; Künzel] en misschien in de glosse tolpri (lees: tolpris?) ‘waarde van de tol?’ [1154; ONW]; mnl. tol ‘belasting, tol, tolhuis’ [1240; VMNW], tolne ‘tolrecht’ [1282; VMNW].
Vermoedelijk ontleend aan middeleeuws Latijn tol(l)oneum, -nium ‘tolhuis, tol’, nevenvormen van christelijk Latijn telōneum, -nium ‘tolhuis’, ontleend aan Grieks telṓnion ‘tolhuis’, een afleiding van télos ‘belasting, tol’. Er is wel verondersteld dat deze ontlening alleen de vorm tolne en varianten betreft en dat tol, dat ook in het Oudhoogduits en Oudsaksisch voorkomt, eigenlijk ‘het getelde’ betekent en verwant is met -tal in aantal en -tol- in overtollig, maar wel in betekenis beïnvloed is door het Latijnse leenwoord (De Vries 1922, en met voorbehoud ook FvWS en NEW). Gezien de -o-, die alle Germaanse talen gemeenschappelijk hebben, lijkt dit echter onwaarschijnlijk.
Os. tol (mnd. tol); ohd. zol (mhd. zol, nhd. Zoll); oe. toll (ne. toll); on. tollr (nzw. tull); alle ‘tol(huis)’. Daarnaast met nasaal: os. tolna (mnd. toln(e), tollen); ofri. tol(e)ne, tolen (nfri. tol); oe. toln.
Grieks télos ‘belasting’ is verwant met talássai, tlẽnai ‘dulden’ en is een afleiding van de wortel pie. *telh2- ‘dragen, verdragen’, zie → dulden.
tollenaar zn. ‘belastinginner’. Mnl. toelnars ‘tolgaarders’ [1267; VMNW], tolnare ‘id.’ [1268; VMNW], tollenaers ‘id.’ [1397; MNW ongelt]. Ontleend aan middeleeuws Latijn tolonarius ‘tolgaarder’, een variant van Latijn telōnārius, dat afgeleid is van telōnēum of telōnium.
Lit.: W. de Vries (1922), ‘Etymologische aanteekeningen’ in: TNTL 41, 189-206, hier 199

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tollenaar znw. m., mnl. tollenāre, tolnere, mnd. tolner, ohd. zol(l)anāri (nhd. zöllner), ofri. tolner, toller, oe. tolnere, tollere, on. tollari ‘tolgaarder’ < vulg. lat. tolōnārius. — Zie ook: tol 1.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tollenaar m., Mnl. tolnare, gelijk Ohd. zollanâri (Mhd. zolnǣre, Nhd. zöllner), Ags. tolnere, tollere (Eng. toller) Ofri, tolner, On. tollari, uit Lat. tolonarius: z. tol 1.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tollenaar (Latijn tolenarius)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Tollenaar, belastinginner voor de Romeinen; (fig.) meestal onsympathieke, oneerlijke belastingambtenaar.

Tollenaars hadden geen gunstige reputatie ten tijde van Jezus. Ze zouden in hun belastingwerk voor de Romeinen oneerlijk te werk gaan en werden daarom in één adem met andere zondaars genoemd: 'De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: "God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar" (Lucas 18:11, NBV). Gebruik van dit woord in het hedendaags taalgebruik voor bijvoorbeeld een belastingambtenaar heeft gewoonlijk de bedoeling die persoon van oneerlijkheid te betichten.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 18:11. Die phariseeus stont, ende badt bi hem seluen aldus, Ic dancke di god, dat ic niet en ben gelijc ander lieden, roouers, onrechtuerdige, ouerspeelders, of ooc gelijc deze tollenaer.
Maar één moedige daad wil ik hier toch niet onvermeld laten, met uiterste krachtinspanning draaide ik mijn hoofd om en schalde achter mij: 'Heer tollenaar!... wij zien elkander weder!!...' (W. Brakman, De reis van de douanier naar Bentheim, 1983)
De vader gaat geheel op in zijn geld ('zijn religie') en gedraagt zich als een tollenaar in moderne versie: huisjesmelken, handeltjes, op de kleintjes letten. (Vrij Nederland, 17-5-1986)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tollenaar ‘ambtenaar die belastingen, pacht e.d. inde, vooral ten tijde van Christus in Palestina’ -> Fries tollenaar ‘ambtenaar die belastingen, pacht e.d. inde, vooral ten tijde van Christus in Palestina’; Negerhollands tolnaar, tollenar ‘ambtenaar die belastingen, pacht e.d. inde, vooral ten tijde van Christus in Palestina’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut