Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toilet - (kleding; wc)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toilet zn. ‘kleding; wc’
Vnnl. tolette ‘fijn linnen’ in Tolette met Gout ende Silver ghewrocht ‘fijn linnen versierd met goud en zilverdraad’ [1584; iWNT]; vnnl. toilette ‘kaptafel’ in hij naer haer camer gingh en tgoedt van haer toilette nam ‘... en pakte het bezit van haar kaptafel’ [1682; iWNT represaille]; nnl. toilet ‘uiterlijk(e verzorging)’ in Zedert is er geen Coëffeur aan zyn schoon bruin krullend hair geweest. Zyn toilet is des zo eenvoudig, als toen hy een kind was [1784; iWNT], toilet ‘kleding’ in Heb ik wat te zeggen over zijn toilet en moet ik de lintjes verantwoorden die hij goed vindt al of niet op zijn rok te dragen? [1813; iWNT], toilette “eigenlijk een doek, die men over eene tafel uitspreidt, om er datgene op te leggen, hetwelk tot sieraad en opschik dient; anders ook het geheele nachtgoed, kostbare edelgesteenten en linnengoed der dames; insgelijks kaptafel, nachttafel der dames” [1824; Weiland], toilette, toilet “publiek privaat en waschgelegenheid” [1912; Kramers].
Ontleend aan Frans toilette ‘kleine doek, fijne stof’ [14e eeuw; Rey], verkleinwoord van Frans toile ‘linnen, doek’, Oudfrans teile ‘id.’ [12e eeuw; Rey], dat teruggaat op Latijn tēla ‘weefsel, spinnenweb’, dat via *texla ‘weefsel’ is afgeleid van het werkwoord texere ‘weven’, zie → textiel.
In het Frans was toilette eerst de naam voor een kostbare stof, meestal linnen. Deze luxestof werd gebruikt voor de bescherming van nieuwe stukken stof of kleding, en ook om over kaptafels heen te leggen. Vandaar ging de naam over op de kleding en op dergelijke toilettafels zelf, en later op de ruimten waarin zulke meubels stonden. Deze kleedkamers kregen vervolgens stromend water en soms een → wc. Zie voor een soortgelijke ontwikkeling → bureau.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toilet [wc, kleding] {1584 als ‘fijn linnen’; als ‘kleding’ 1813; als ‘wc’ 1901-1925} < frans toilette, verkleiningsvorm van toile [linnen, doek] < latijn tela < ∗texla [weefsel], van texere [weven] (vgl. textiel); de betekenisontwikkeling was: doek, kapmantel, overtrek van een toilettafel, toilettafel, kleedkamer, kleedkamer met voorzieningen zoals wc. Vgl. de betekenisontwikkeling van bureau.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

toilet

Het Franse woord toile betekent linnen. Toilette is dus: linnen lap. Aanvankelijk gebruikte men een toilet om er nieuwe stukken stof of kledingstukken in te wikkelen ter bescherming. Ook werd toilet gebruikt voor de doek die op de tafel werd uitgespreid om er benodigdheden ter verzorging van het uiterlijk op te plaatsen. Zo kreeg toilet de betekenis: kaptafel. Daarna ging men het woord ook gebruiken voor de handeling van het kleden en het verzorgen van het uiterlijk. Nog zegt men: toilet maken. Dan gaat toilet de kleding zelf aanduiden en betekent het: japon.

Uit de samenstelling toiletgelegenheid: plaats waar men zich kleedt en verzorgt, is het woord toilet ontstaan in de zin van: privaat, w.c.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toilet s.nw.
Latrine, met of sonder wasbak daarby.
Uit Eng. toilet (1819).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toilet (Frans toilette)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toilet ‘wc’ -> Indonesisch toalét, toilét /twalét/ ‘wc’; Javaans dialect tolèt ‘wc’; Madoerees tolet ‘wc, toiletspiegel’; Papiaments tualèt ‘wc al dan niet met wasgelegenheid; toilettafel; kaptafel’; Sranantongo twalèt ‘wc’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

kakhuis. Vanaf de zestiende eeuw zette men speciale houten gebouwtjes neer op het erf, achter of naast het huis of aan de openbare weg, waarin men zijn behoefte kon doen. Dergelijke gebouwtjes werden kakhuis genoemd. Later werd kakhuis ook wel gebruikt voor een toilet binnenshuis. Andere benamingen hiervoor zijn schijthuis, gemakhuisje en buitenprivaat, maar op grond van het aantal citaten in het WNT moeten we concluderen dat kakhuis het normale woord was: dit woord wordt vermeld van 1567 tot in de negentiende eeuw - daarna verdwijnt het geleidelijk met de veranderde inrichting van de wc, zoals aansluiting op het riool en toevoeging van een waterspoelingsinstallatie. Van schijthuis en gemakhuisje vermeldt het WNT slechts heel weinig citaten. Wellicht speelt hier taboe een rol, hoewel dat voor de keurige omschrijving gemakhuisje onwaarschijnlijk lijkt. Schijten, een Germaans woord dat is afgeleid van het werkwoord (af)scheiden, werd in het verleden waarschijnlijk platter gevonden dan kakken: kak (bekend sinds eind veertiende eeuw) en kakken (voor het eerst in 1514 genoteerd) gaan terug op Latijn cacare 'zijn behoefte doen'. Dit woord komt uit de kindertaal en is waarschijnlijk overgenomen door leerlingen die op school Latijn leerden en het schertsend of eufemistisch in het Nederlands gingen gebruiken. Ook de communicatie met artsen - die veel Latijnse leenwoorden gebruikten als ze met hun patiënten spraken - kan het gebruik van het 'nette' werkwoord kakken hebben bevorderd. Zoals bekend gelden leenwoorden dikwijls als minder direct en vulgair dan eigen Nederlandse woorden, ze worden vaak beschouwd als objectiever en afstandelijker - vandaar dat sommigen de voorkeur geven aan feces in plaats van ontlasting of uitwerpselen, aan attaque in plaats van beroerte, en aan transpireren in plaats van zweten.

In de warme landen waarheen de Nederlanders in de zeventiende eeuw trokken, zetten zij kakhuizen neer: toiletten binnenshuis waren namelijk niet erg hygiënisch. In het Afrikaans wordt kakhuis(ie) nog steeds gebruikt, maar het geldt als platte benaming voor het gewone gemak(s)huisie. De Nederlandse gebouwtjes waren nieuw, en daardoor namen andere talen de Nederlandse benaming ervoor over. Zo noemt men in de Indonesische, Javaanse, Molukse en Soendanese spreektaal een toilet een kakus, en een kakus berjalan is een rijdend toilet, ofwel een toilet op een bus of in een trein. Een informant vertelt:

Ik hoorde kakus gebruiken toen ik tussen 1952 en 1964 werkte op schepen met Indonesische bemanning. We spraken Pasar-Maleis. De bijnaam van een zekere W.C. de Jong luidde toen Kakus de Jong.

Kakus is volgens een andere informant veel te lezen op treinstations op Java voor 'openbaar toilet'. Volgens een Nederlander die met een Molukse vrouw is getrouwd, gebruikt de Molukse gemeenschap in Nederland het woord nog steeds. Maar in het 'nette' Indonesisch, Javaans en Moluks gebruikt men toalet en w.c. (zie hieronder).

Ook in het Singalees, de taal die op Sri Lanka gesproken wordt, noemt men een toilet kakkussiya, kakkusiya, kakusiya - er zijn verschillende spellingen in gebruik. Een Nederlandse bericht:

Ik heb dit woord gehoord toen ik rond 1980 als novice verbleef in een boeddhistisch Theravadaklooster in een spelonkencomplex nabij Kegalle. Het 'kakhoesie' werd met onmiskenbaar Noord-Hollandse tongval uitgesproken. Een klein jochie, Soenil Sante, leerde mij wat Singalese woorden. Toen ik wees naar de wc, een gat in de grond met een bescheiden huisje eromheen, zei hij eerst 'wessekilee' en daarna 'kakhoesie', waarbij hij met een brede grijns aangaf dat het ging om een grof woord. Later kwam ik in Colombo het 'kakhoesie' weer tegen toen ik in een eethuisje naar de wc ('wessekilee') vroeg en meteen keihard 'kakhoesie' te horen kreeg. Ook hoorde ik dit woord in mijn contacten met de allerarmste bevolking, die als contractarbeiders op de rubber- en theeplantages woonden en werkten. Ik deed er onder andere stervensbegeleiding in meestal stikdonkere hutten ergens in de diepe jungle, en dan maar bidden in het Pali voor het zielenheil van de betrokkene. Of het hielp? Ach de mensen waren dik tevreden dat een blanke boeddhistische non voor ze kwam bidden.

Het Singalese kakkussiya wordt dus gebruikt voor een openbaar toilet buiten of in een restaurant. Een toerist die regelmatig in Sri Lanka is geweest, schrijft:

Elke keer stal ik de show door in een restaurant naar het 'kakhusie' te vragen. Ze waren stomverbaasd dat een westerse toerist dat oeroude Singalese woord voor het toilet kende.

Ook in talen die tot de zogenoemde Dravidische taalfamilie behoren, is kakhuis geleend, en wel in het Kannada, gesproken in de provincie Karnataka in Zuid-India, en in het Tamil, ge­spro­ken op Sri Lanka en (als officiële taal) in Sin­gapo­re en in de provin­cie Tamil Nadu in Zuid-India. Het woord kakhuis is geleend in de periode dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie kantoren in Zuid-India bezat. In het Tamil luidt het kakkusu, in het Kannada kakkasu of kakkōsu. Ook bij de Engelsen in India was het woord in het begin van de twintigste eeuw bekend.

In het Sranantongo is het woord kakhuis niet geleend, maar men heeft het letterlijk vertaald als kunkun-oso (oso gaat terug op het Engelse house). Daarnaast bestaat de vertaling pkin-oso, letterlijk 'klein huisje'. Bovendien heeft men een ándere Nederlandse benaming voor 'kakhuis' geleend, namelijk gemakhuisje: in het Sranantongo luidt dit kumakoisi.

Ook de Nederlandse benamingen voor een toilet binnenshuis zijn door andere talen overgenomen. Zo kent het Indonesisch de toalet, teruggaand op het Nederlandse toilet (dat zelf, begin twintigste eeuw, ongetwijfeld om eufemistische redenen, is ontleend aan het Frans) en de w.c. (een woord dat in het Nederlands is ontleend aan het Engels, niet als eufemisme maar omdat de wc, voluit watercloset, met zijn waterspoelingsinstallatie een technische vernieuwing vormde). Tot slot gebruikt het Indonesisch de benaming kamar kecil, eigenlijk 'kleine kamer'; dit is een vertaling van het Nederlandse kleinste kamertje.

Het Sranantongo heeft de Nederlandse namen twalèt en weisei overgenomen (gezien de uitspraak zal dit woord aan het Nederlands en niet aan het Engels zijn ontleend), en plei, van Nederlands plee. Dit plee wordt in het Nederlands sinds eind negentiende eeuw gebruikt en is een verbastering van een Franse uitdrukking, hoewel lange tijd onzeker is gebleven van welke. Het WNT schrijft:

Eene naar het schijnt eerst in den loop der 19de E. in gebruik gekomen of meer bekend geworden fatsoenlijke benaming voor: sekreet, privaat, bestekamer, heimelijk gemak. Daarnaast ook pleti. Men verklaart het woord gewoonlijk als fr. plaît en plaît-il, waarmede dan op beleefde wijze naar de 'gelegenheid' zou zijn gevraagd of deze zou zijn aangewezen. Ofschoon de uitspraak plee in overeenstemming is met den vorm dien fr. plaît in onze spreektaal krijgt [...], lijkt deze verklaring toch weinig waarschijnlijk, ook omdat pleti nimmer als pleet-i wordt uitgesproken, maar steeds als plĕtie, met den klemt[oon] op de laatste lettergreep, terwijl het niet duidelijk is waarom men plaît-il op deze wijze zou zijn gaan uitspreken. Ook zijn er geen aanwijzingen voor zulk een gebruik van fr. plaît-il. Daarom schijnt een andere gissing aannemelijker, die het woord in verband brengt met fr. petit (cabinet); verg. mnl. [Middelnederlands] cleine (voor cleine camere), geheim gemak, stille, bestekamer. Alsdan is de l ingevoegd, gelijk in de toonlooze eerste lettergreep van andere vreemde woorden [...], en is pleti eerst afgekort tot ple, met toonlooze ĕ (gelijk men nog somtijds hoort), en is dit ple later tot plee geworden. Is deze verklaring de juiste, dan is het woord, voordat het vrij algemeen werd, vermoedelijk reeds langer hier of daar in gebruik geweest. In geschrifte is het echter eerst sedert het einde der 19de E. gewoon.

Deze verklaring is echter níét de juiste. Inmiddels is namelijk de volgende tekst gevonden in de eerste druk van de Algemeene Kunstwoordentolk van J. Kramers uit 1847, onder de ingang plaisir:

plait-il? (spr. plétie), wat belieft u, wat is er van uwe dienst, wat zegt ge? ook als subst. euphemetisch gebezigd voor secreet, geheim gemak, in de wandeling de platie.

Waarmee dus bewezen is dat plaît-il de bron is geweest van plee. In de vierde druk van Kramers' woordenboek, uit 1885, zijn de laatste woorden uitgebreid tot: 'in de wandeling de plaitie, platie, pletie'. En in de Grote Van Dale van 1898 staat als ingang plee, verkleinwoord pleetje.

In het Papiaments zijn kakushi 'kakhuis, emmer met feces' en tualèt ontleend aan het Nederlands - in het Portugees, dat de basis vormt van het Papiaments, bestaat dit laatste woord niet. Wellicht gaat ook w.c. terug op het Nederlands, maar dit kan ook rechtstreeks aan het Engels zijn ontleend.

Het is duidelijk dat de Nederlanders de hygiënische voorzieningen van het vaderland overgebracht hebben naar de nieuwe landen waar zij zich vestigden. Zie ook pispot.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toilet kleding 1813 [WNT] <Frans

toilet wc 1914 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut