Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

togen - (trekken, slepen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

togen1* [trekken, slepen] {1350} middelnederduits togen, oudhoogduits zogon, fries togje, oudengels togian (engels to tow), oudnoors toga; ablautend naast het sterke ww. tijgen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

togen o.w. (trekken), Mnl. toghen + Ohd. zogôn (Mhd. zogen), Ofri. en On. toga: denomin. van *tog + Hgd. zug: synon. van tocht, en evenals dit van denz. stam als ʼt meerv. imp. van tiegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

togen, ww.: slepen; met nagels opsluiten. In het Waasland ook ‘slepen, trekken, met een sleepnet vissen’, Wvl. teugen ‘slepen, eggen, trekken, gaan’. Mnl. togen ’trekken, sleuren’, Vnnl. toghen ‘trekken’ (Kiliaan). Mnd. togen, Ndd. tagen, Ofri. togia, Fri. tôgje, Oe. togian, E. to tow ‘slepen, trekken’, Ohd. zogôn, Vroegnhd. zogen, On. toga. Ablautende afl. van Mnl. tiën (toogh, getoghen) ‘trekken’, Os. tiohan, D. ziehen (zog, gezogen). Vgl. Ndl. teug.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

togen 2 (W), ww.: slepen, trekken, met een sleepnet vissen. Wvl. ook teugen 'slepen, eggen, trekken, gaan'. Mnl. togen ’trekken, sleuren', Vnnl. toghen 'trekken' (Kiliaan). Mnd. togen, Ndd. tagen, Ofri. togia, Fri. tôgje, Oe. togian, E. to tow 'slepen, trekken', Ohd. zogôn, Vroegnhd. zogen, On. toga. Ablautende afl. van Mnl. tiën (toogh, getoghen) 'trekken', Os. tiohan, D. ziehen (zog, gezogen). Vgl. Ndl. teug.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

taogn, togen, teugen slepen, trekken, voortgaan, op een bep. manier ploegen (Noordoost-Nederland, Noord-Holland, Bommelerwaard, Vlaanderen). = mnl. togen ‘trekken’, mndd. togen ‘trekken’, fri. tôgje ‘met moeite dragen’, eng. tow ‘slepen’, ono. toga ‘trekken’. ~ nl. vdw. getogen, teugel, tocht. Met grammatische wisseling ~ mnl. tien ‘trekken’ en betijd ↑.
WNT XVII 902-903, Sassen 68, Hadderingh/Veenstra 281.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

togen 2 (zachtlange o), teugen (DB), ww.: slepen, eggen, trekken; gaan, voortgaan. Mnl. togen ‘trekken, ergens heentrekken’, Vroegnnl. toghen ‘trahere’ (Kiliaan). Ohd. zogôn, Vroegnhd. zogen, Mnd. togen, Ndd. tagen, Ofri. togia, Fri. tôgje, Oe. togian, E. tow ‘slepen, trekken’. Ablautende afl. van Mnl. tien (toogh, getoghen) ‘trekken’, Os. tiohan, D. ziehen (zog, gezogen). Vgl. Ndl. teug.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

togen ‘trekken, slepen’ -> Deens tove ‘een schip slepen’ (uit Nederlands of Engels); Frans touer ‘(een schip) naar voren slepen door aan boord aan een tros te trekken; een ander schip slepen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal