Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toga - (ambtskleed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toga zn. ‘ambtskleed’
Nnl. Toga ‘Romeins opperkleed’ [1734; iWNT tunica], tot de “Toga” opgevoed ‘opgevoed om een openbaar ambt te verwerven’ [1766; iWNT landbouwer], De Togae, of “Regters-tabbaarden” [1767; iWNT].
Ontleend aan Latijn toga ‘bovenkleed’, een ablautend zn. bij tegere ‘bedekken’ en verwant met → dak.
toog zn. ‘lang kleed voor misdienaars en geestelijken’. Nnl. Toghe hiet de mantel ... van den doge van Venetien [1732; iWNT], toog ‘tuniek’ [1766; iWNT tuniek], toge ‘priestergewaad’ [1788; iWNT vloeren II], toog ‘id.’ [1791; iWNT]. Ontleend aan Frans toge ‘Romeins kleed’ [1546; Rey], dat ontleend is aan Latijn toga ‘bovenkleed’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toga [kleed] {1734} < latijn toga [het gewaad van de Romeinse burger], verwant met tegere [bedekken].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toga s.nw.
1. (histories) Deftige gewaad van 'n Romeinse burger. 2. Ampsgewaad van o.a. die regterlike mag, predikante en akademici.
Uit Ndl. toga (1734 in bet. 1, 1807 in bet. 2).
Ndl. toga uit Latyn toga 'gewaad'. Latyn toga was die benaming van die wit wol opperkleed wat die Romeinse burgers in vredestyd by openbare optredes gedra het. Latyn toga verwant, met vokaalverandering, aan Latyn tegere 'bedek'.
D. Toga, Eng. toga.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

toga: ampsgewaad v. akademici, predikante, regters; Ndl. en Eng. toga uit Lat. toga (verb. m. ww. tegere, “dek”), v. dies. herk. as dak en dek en Eng. thatch.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toga (Latijn toga)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Toga of Toog is het lange kleed der R.-Kath. priesters bij dagelijksch gebruik. Ook het kleed, dat de Herv. predikanten op den kansel dragen, en het ambtskleed der rechters heet zoo. Oorspronkelijk is het een Romeinsch opperkleed, dat over de tunica werden gedragen. Dit was alleen toegestaan aan burgers, niet aan de vreemdelingen of bannelingen; het was dus min of meer een eerekleed. Zoo zegt Tacitus in zijn “Germania” (15e hoofdstuk) van den Germaanschen jongeling, als deze in de volksvergadering de wapens ontvangt: “Dat is bij hen de toga, dat de eerste trap der eer voor de jeugd.” De purperen toga werd het ambtskleed, terwijl door de eerste hoogwaardigheidsbekleeders nog andere kleuren werden gedragen. Wie echter naar een ambt dong, kleedde zich bij het bezoeken der senatoren in een helderwitte toga: toga c andida; zie candidaat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toga ‘kleed’ -> Ambons-Maleis toga ‘kleed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toga kleed 1734 [WNT tunica] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut