Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tof - (leuk, aardig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tof bn. ‘leuk, aardig’
Nnl. tof ‘leuk, aardig’ in Hij speult een rolletjen, dat tof is [1805; Boddaert], tof ‘goed’ [1824; Weiland], toffe kerel [1914; Van Ginnken].
Ontleend, mogelijk via het Bargoens, aan Jiddisch tof ‘goed’ dat een ontlening is van Hebreeuws tôv ‘goed’.
Lit.: P. Boddaert (1805), Levensgeschiedenis van den vermaarden dichter Mr. -, Amsterdam, 75; Van Ginniken (1914), Handboek der Nederlandsche taal 2: De sociologische structuur onzer taal II, Nijmegen, 186

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tof [goed] {1841} vgl. rotwelsch tof < jiddisch tof, tow [goed] < hebreeuws ṭōbh [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tof bnw. (bargoens) ‘betrouwbaar, goed’ < joods tauw ‘goed’ (Moormann 1, 351).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† tof bnw. Via het Bargoens uit joods tauw ‘goed’. Zie over de ouderdom in geheimtalen Moormann Geheimt. 193.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tof bn., bw., 1. akelig, naar, vervelend, ’taai’. Waarom mag ik niet op straat? Daar spelen juist al die kinderen (). Ik wil ook gaan, het is zo tof om alleen te spelen (Rappa 1980: 64). Je moet je hersens weten te gebruiken en soms toffe risico’s nemen (Rappa 1984: 61). - 2. hard, ruw, stoer; gewelddadig (vaak in waarderende zin). Een super karate film met toffe acties (DWT 21-12-1984, in adv.). Alweer zo’n onbeschoftheid! Alsof hij aan die sopitafel [’bittertafel’] was, onder toffe vrienden (Cairo 1978b: 157). - 3. prettig. Op een van de bezoeken wilden ze allebei. Terwijl de een tofjes bezig was [te vrijen], met meneer, en de ander vriendelijk en oprecht met mevrouw, wilde de overgebleven zuster ook naar achteren (Cairo 1976: 32). - Etym.: De bet. 1 en 3 zijn vrijwel elkaars tegengestelde, met min of meer een overlap in bet. 2. Dit lijkt veroorzaakt te zijn door twee herkomsten van het woord. Vgl. voor bet. 1 en 2 het E tough (zo ook in SN wel geschreven), dat ongeveer SN bet. 1 heeft; in Am. kan het ook SN bet. 2 hebben, echter niet in waarderende zin. Bet. 3 (en 2) sluiten aan bij AN t. (eigenlijk Bargoens), van Hebr. ’toob’ = goed (Endt 120).
— : tof spelen (speelde, heeft gespeeld), stoer doen. Oh, dus je wil mij niet antwoorden? Meneertje wil tof spelen, meneertje hangt de stoere man uit! vroeg de direkteur boos (Rappa in A&P 1981b: 7). - Etym.: Zie tof* (2), zie spelen* (III).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

smous [Jood]. Evenmin als Kĕ schijnt ook dit woord naar zijn eigenlijke betekenis iets beledigends te bevatten. In de taal van de boeren van Zuid-Afrika is nog alle bijgedachte van schimp of smaad aan het woord vreemd. Volgens Mansvelts Kaapsch-Hollandsch idioticon is een smous een te voet, te paard of per kar voorttrekkende Jood die zijn waren rondvent. Zie ook Schüssler, Zuid-Afrika, p. 9: ‘Zij verkoopen hun voorraad aan reizende kooplieden of smousen. Dit woord getuigt volstrekt niet van minachting [...] Reizend koopman en smous zijn woorden van één betekenis.’ H.P.N. Muller in De Gids van mei 1888, p. 225: ‘Marskramers worden door de Boeren steeds met den lieflijken naam smous betiteld, ook al zijn zij Christenen. Het is geen scheldwoord, maar slechts een beroepsaanduiding.’ Uit deze laatste plaats blijkt dat smous in Zuid-Afrika een uitbreiding van betekenis ondergaan heeft, zodat het niet enkel bepaaldelijk een ‘Joodse marskramer’, maar een ‘marskramer’ in het algemeen aanduidt.

De oorsprong van het woord smous is niet zo duister als gewoonlijk geloofd wordt. In het Hoogduits beantwoordt daaraan Mauschel; Heyne, in Grimms Deutsches Wörterbuch, zegt over dit woord: ‘Spottname für einen Juden, weitergebildet aus dem jüdischen Namen Moses, in jüdisch-deutscher Aussprache Mausche oder Môsche, wie denn diese und verwandte Formen als allgemeiner Rufnahme für Juden begegnen.’ Hij brengt daarna voorbeelden waarin Mausche, Moschi, Moschgen als zodanig voorkomen. Eerst de vorm Mauschel of Mauschl (een diminutiefvorm) ‘bezeichnet in verächtlicher Weise den Juden, namentlich den Schacherjuden.’ In het Hollands is Mausche of Môsche overgegaan in mous of moos, maar met toevoeging van de sisklank, zo gewoon vóór de liquidae, als in smoel voor moel of muil, smerlijn voor merlijn (de steenvalk), sneb voor neb, snugger voor nugger, snikken (snokken) voor nokken (nikken), slinker, slinks voor linker, links, slank (voor lang of lank), enz., geheel in de geest van de volkstaal.65 Terecht dus heeft reeds Weiland ons smous afgeleid ‘van den eigennaam Mozes, waarvoor de Joden in de gemeenzame verkeering mous, mousje, bezigen, dat met voorzetting van eene s, smous, smousje geworden is.’ Daar nu een gebruikelijke eigennaam op zichzelf geen scheldnaam kan zijn, is smous meer door de minachtende toon waarop het wordt uitgesproken, dan door zijn betekenis tot scheldwoord gestempeld. Bij ons volk bestaan niet die bittere vooroordelen tegen de Joden die hun in andere landen bloedige vervolgingen op de hals halen, maar het is hun geest van sjacheren en woekeren die hen bij de menigte in minachting brengt, zonder dat men bedenkt hoezeer die geest een uitvloeisel is van de verdrukking, waaraan zij zovele eeuwen waren blootgesteld. De betekenissen van het woord smous laten zich dunkt mij het best zo ordenen: 1. een Duitse Jood, 2. een Joodse marskramer, 3. een marskramer in het algemeen (Zuid-Afrika), 4. een sjacheraar, een woekeraar.

Prof. Dozy heeft het woord smous in zijn Oosterlingen niet opgenomen. Dit gaf aanleiding dat bij verschijning van dat werkje twee nieuwe afleidingen beproefd zijn. Prof. De Goeje wilde het in verband brengen met Schammôsj, een kerkdienaar, prof. Land met Isj-mówet (uitgesproken Schmòwĕs) ‘een man des doods’, dat dan zoveel zou betekenen als ‘galgenbrok, pendard’. Beide verklaringen zijn veel te gezocht en te geleerd en geen van beide komen met het gebruik van smous overeen.

Ik wens hier ook nog iets over enige Joodse woorden bij te voegen, die van te weinig gewicht zijn om een afzonderlijk artikel te verdienen. Prof. Dozy zegt in de voorrede van zijn Oosterlingen: ‘Van Joodsche woorden zijn er misschien in enkele steden, waar veel Joden wonen, vooral te Amsterdam, meer in de volkstaal overgegaan, dan ik heb opgetekend.’ Juister ware het te zeggen dat daar de Joden, die onder elkaar hun eigen, met Hebreeuws en Chaldeeuws [Aramees] doorspekt Duits spreken, ook in het verkeer met christenen vaak Joodse woorden in hun taal mengen, die door hen met wie ze spreken dikwijls niet of slechts half verstaan worden. Wanneer nu zulke woorden kunnen gezegd worden in de volkstaal te zijn overgegaan, is moeilijk te bepalen. Waar Van Maurik, die Amsterdam kent zoals Dickens Londen kende, in zijn schetsen en novellen Joden ten tonele voert, legt hij hun niet zelden woorden in de mond die stellig niet algemeen verstaan worden en toch in de mond van een Jood zeer gepast zijn, bijvoorbeeld waar in Uit één pen, p. 181, David de loterijman tôf (het Hebreeuwse tôb, volgens de uitspraak van de Duitse Joden) voor ‘goed’66 en gammor (verbastering van het Hebreeuwse chĕmoor) voor ‘ezel’ bezigt. Maar deze woorden kunnen geen aanspraak maken om zelfs als vreemde gasten in de Nederlandse taal beschouwd te worden. Meer aanspraak daarop heeft sikker dat, zo ik geloof, vrij algemeen, althans in Amsterdam, verstaan wordt, en dan ook door Van Maurik, Uit één pen, p. 142, 148, aan een Amsterdamse nachtwacht in de mond wordt gelegd. Het is het Hebreeuwse sjikkôr, dat ‘dronken’ betekent. [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tof (Jiddisch tof)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Tof. Dat is tof, of alleen: tof! = goed, leuk, prettig. Toffe jongens = goede, echte, prettige lui. Ook wel ironisch. Van ’t hebr. tauf = goed.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

tof [goed, fijn, leuk] (1824). Predikant en taalkundige Petrus Weiland (1754-1841) publiceerde in 1824 zijn Kunstwoordenboek of verklaring van allerhande vreemde woorden [...] uit verscheidene talen ontleend. Vele honderden leenwoorden in het Nederlands worden voor het eerst in dit woordenboek vermeld, zoals het Arabische moslim, de Hebreeuwse woorden misjna en thora, de Jiddische leenwoorden goj, sjikse en tof, het Perzische hoeri, het Russische bojaar, het Tibetaanse dalai lama en de Turkse leenwoorden kismet, molla en raki. Veel van de in Weilands woordenboek opgenomen woorden gaan terug op boekenkennis, en niet zozeer op contacten met andere talen. Het is dan ook niet duidelijk in hoeverre de opgenomen woorden bekend zijn geweest in deze periode. Sommige woorden zullen uitsluitend onder specialisten bekendheid hebben genoten.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tof goed 1824 [WEI] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2269. Tof

komt zeer dikwijls voor in den volksmond; het beteekent goed, leuk, aardig (hebr. tôb, goedVoorzanger en Polak, 295; V. Ginneken II, 97.), en wordt als adjectief en als adverbium gebezigd. Vgl. Köster Henke, 68: Tof, goed, degelijk; ook kalm en eerlijk: een toffe gooser, een flinke kerel; hou je maar tof; tof poen (goed geld); een tof niese, een mooie meid; louw tof, niet goed; hij speelt tof; enz.; mazzel tof! goed geluk! Speenhoff VI, 38: Het zaakie ging nou net zoo tof; Amstelv. 52: Het plan van m'n grootvader zaniker heb ik dan ook maar volvoerd en t' is me tof gelukt; Nkr. IX, 10 Juli p. 7: 'k Zou as de dood zijn dat-ie gijntjes ging verkoopen met zo'n tof boerinnetje; Heyermans, Ghetto, 24: Rebecca zou een tof meissie voor 'm zijn; In de forten, bl. 29: Mie, je hebt zoo'n toffe kop; Diamst. 121: Een toffe jongen (evenzoo Nkr. VI, 28 Dec. p. 5; VII, 8 Maart p. 5; Nkr. IX, 22 Mei p. 6: Appel, een der gewiekste onder de toffe jongens van kamer negentien; Leersch. 130); A. Jodenh. 7; 46 (tof goud); bl. 13: Niewaar jonges, 't was er tof hè? Tof hoor, emmes tof!; bl. 36: Zijn vader is makelaar an de beurs, heele toffe lui; bl. 42: t' Is emmes tof; Jord. 342; Sabbath, 63; 87; Kluge, Rothw. 412; enz. enz. Syn. is kedin of kadin, eig. veilig (Voorzanger en Polak, 168); zie Köster Henke, 31; Jord. II, 112; 159; 520; Peet, 4; 121; Nkr. VII, 22 Febr. p. 6; Kluge, 299: kadin, ehrlich; bl. 287: kadin werden, gerecht werden, aufhören zu stehlen; ook wel jovel (o.a. in Soldaten courant, 28 April 1915, p. 4 k. 1: 'k Heb in hem een besten kameraad, een jooflen, trouwen maat) of joven (Jord. II, 32; 312; 454; 510; Peet, 125; 127; V.v.d.D. 164; D.v.S. 104; Köster Henke, 68; Voorzanger en Polak, 167).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal