Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toeven - (blijven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toeven ww. ‘blijven’
Mnl. toeven ‘zich voor korte tijd ophouden, even langslopen’ in Die al den dach ... Dar quamen tvoeuen ende sin Lutgarden ‘die daar heel de dag even langskwamen om Lutgard te zien’ [1265-70; VMNW], ‘tegenhouden’ in vor dat sie in den groten water dat reempte ghetueft hadden ‘dat ze tijdens het hoge water het paalwerk (van de waterkering) op zijn plaats hadden gehouden’ [1375; MNW], ‘niet verder komen’ in striken ende toeven ‘het zeil strijken en blijven liggen’ [1400; MNW], ‘verblijven’ in Veylich ende onbelet van enigen saken te comen, te wesen ende te thueven ‘veilig en door niets gehinderd binnen te komen, te wonen en te verblijven’ [1427; MNW], dair hij doe toefde II dagen ‘waar hij toen 2 dagen verbleef’ [1470; MNW].
Mnd. toven, tuven ‘wachten, aarzelen; ophouden, hinderen, vasthouden’ (vanwaar door ontlening nde. tøve ‘aarzelen’); < pgm. *tōbjan-. Nfri. toevje, tôvje ‘toeven, wachten’ is ontleend aan het mnl. of mnd.
Hierbij behoort wrsch. met ablaut: on. tefja ‘hinderen, tegenhouden’ (< *tabjan-) en mogelijk ook on. tafsa ‘krabben’ (nzw. tafsa ‘betasten, aan iemand zitten’).
Verdere herkomst onduidelijk. Indien mhd. zāfen ‘trekken’ < pgm. *tāp- hierbij behoort, kan men eventueel aan een betekenisontwikkeling van ‘trekken’ > ‘talmen’ denken, zoals in nhd. zögern ‘aarzelen’ bij de wortel van ziehen ‘trekken’ (De Vries 1922). De -p- levert dan echter wel problemen op.
Lit.: W. de Vries (1922), ‘Etymologische aanteekeningen’, in: TNTL 41, 196

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toeven* [tijd doorbrengen] {to(e)ven, tuven [terughouden, arresteren, onthalen, zich ophouden] 1265-1270} middelnederduits toven, fries tovje [toeven], ablautend oudnoors tefja [verhinderen]; etymologie onzeker. Men neemt wel verband aan met latijn damnum [schade] en oudindisch dabhnoti [hij beschadigt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toeven ww., mnl. toeven ‘talmen, wachten, zich ophouden, uitstellen, ophouden, onthalen, arresteren’, mnd. tōven ‘talmen, wachten, ophouden, laten wachten, gevangen nemen’, fri. toevje, tōvje ‘toeven, wachten’; vgl. verder abl. on. tefja ‘verhinderen’, nnoorw. dial. tava en tafsa ‘zich zonder succes met iets bezighouden’, nijsl. tafsa ‘snel en onduidelijk spreken’, maar on. tafsa ‘krabben’, nnoorw. nzw. dial. tafsa ‘plukken, pluizen’.

Klaarblijkelijk een woordengroep met sterk affectief karakter. Men kan vergelijken ofri. tapia ‘plukken’, mnd. tappen, tāpen ‘plukken, pluizen’, verder on. tapa ‘verliezen’, nijsl. tæpta ‘licht aanraken’ en verder ook top. Men brengt deze woorden terug tot een idg. wt. *dā: en *dāi: ‘verdelen, stuk snijden’, waartoe men ook wel tijd rekent (IEW 175-177) — W. de Vries Ts. 41, 1922, 196 vergelijkt mhd. zāfen (zōfen, zoffen) ‘trekken; sieren’ en verg. voor de bet. verschuiving van ‘trekken’ > ‘talmen’ woorden als nhd. zögern en ziehen en nnl. vertien, vertrekken ‘uitstellen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toeven ww., mnl. toeven “talmen, wachten, zich ophouden, uitstellen, ophouden, onthalen, arresteeren”. = mnd. tôven “talmen, wachten, ophouden, laten wachten, gevangen nemen”, fri. toevje, tôvje “toeven, wachten”. Hierbij nijsl. tôf o. “vertraging” en met ablaut on. tefja “(ver)hinderen, tegenhouden”. Mogelijk is verwantschap met lat. damnum “schade”, oi. dabhnóli “hij brengt schade toe”: de idg. basis was dan dā̆bh-. Deze beide woorden worden echter gew. anders verklaard, eveneens bevredigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toeven o.w., Mnl. id. + Ndd. toven, De. tøve, Zw. töfva: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

teuve tegenhouden (Noord-Holland). = toeven = mnl. toeven ‘talmen, wachten, arresteren’ = fri. tôvje ‘talmen, wachten’. Abl. ~ ono. têfja ‘verhinderen’. Misschien ~ lat. damnium ‘schade’ (vgl. indemnisatie ‘schadeloosstelling’).
Pannekeet 359, Boekenoogen 1055, EW 378.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

toeven (DB), ww.: liefkozen, vertroetelen, lief zijn, vleiend dienen. Mnl. toeven ‘(o.m.) ontvangen, onthalen, liefkozen, van het nodige voorzien’, Vroegnnl. touven, troetelen ‘amignoter, caresser’ (Lambrecht), toeven ‘blandiri’, toef doen, toeven, onthaelen (Kiliaan). Vgl. Vroegnhd. zafen, Md. zofen, Mhd. zâfen, zâven, zôfen ‘trekken, verplegen, opvoeden, versieren’. D. Zofe ‘kamenierster, kamermeisje’. Voor het betekenisverband toeven - dienen, vgl. D. warten ‘wachten’ - aufwarten ‘bedienen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toeven ‘tijd doorbrengen’ -> Fries toevje, tôvje ‘tijd doorbrengen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds töva ‘talmen, dralen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toeven* tijd doorbrengen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal