Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toeval - (onvoorzien geval)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toeval* [ziekelijke aandoening, onvoorziene omstandigheid] {ca. 1350 in de betekenis ‘symptoom, niet-essentiële eigenschap, bijkomstigheid, aanval van ziekte’} vermoedelijk vertaling van latijn accidens [wat iem. overkomt], eig. teg. deelw. van accidere [gebeuren] (vgl. accident).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

toeval

Het woord toeval komt voor in twee sterk van elkaar verschillende betekenissen. Men kent het voor: aanval van vallende ziekte èn voor: onvoorziene gebeurtenis. Toch hebben wij met hetzelfde woord te maken. Toevallen betekende eigenlijk: neerstorten. Men zei dus: door toeval van regen zijn de wegen onbegaanbaar. Toevallen werd ook gebruikt voor: ten deel vallen. Toeval is dan: wat iemand ten deel valt, overkomt, in het bijzonder als ziekteverschijnsel, dus: bijv. een flauwte. Uit de betekenis gebeuren, die toevallen óók heeft, volgt dat toeval is: gebeurtenis, voorval en dan: zonderling, onverwacht, onvoorzien voorval. Soms wordt het toeval zelfs min of meer als een macht beschouwd. Men zegt bijv.: iets aan het toeval overlaten, het toeval wil dat...

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toeval znw. o., eerst sedert Kiliaen, mnd. tōval, mhd. (mystiek) zuoval (nhd. zufall). Op grond van het feit, dat het woord mhd. zuoval eerst in de geschriften van Tauler en Seuse optreedt, moet men wel aannemen, dat dit woord een vertaling van lat. accidens is (dit ondanks het betoog van W. de Vries Ts 41, 1922, 196, die aan spontane oorsprong denkt in verband met uitdrukkingen ‘al naar het valt’ en dgl.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toeval znw. o., sedert Kil. = mhd. (myst.) zuoval (nhd. zufall) m., mnd. tôval m. Vert. van lat. accidens. Mnl. wel in andere bett.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toeval (vert. van Latijn accidens of Duits Zufall); (blind --) (vert. van Latijn fortuna caeca)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toeval ‘onvoorzien geval’ -> Deens tilfælde ‘geval, onvoorzien geval’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tilfelle ‘geval, onvoorzien geval’ (uit Nederlands of Nederduits);? Menadonees tofar ‘onvoorzien geval’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toeval* onvoorzien geval 1477 [Teuth.]

toeval* aanval van vallende ziekte 1852 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal