Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toets - (onderzoek, proef; drukknop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toets 1 zn. ‘onderzoek, proef, penseelstreek’
Mnl. touche ‘onderzoek naar het goudgehalte’ [1338; MNW], toidse ‘id.’ [1430; MNW]; vnnl. Toutse ‘toetssteen (voor onderzoek van goud etc.)’ [1551; iWNT], Die neem den toets ‘die mag de proef nemen’ [ca. 1575; Coornhert], toutskens ‘korte streken (van penseel e.d.)’ [1642; iWNT].
Ontleend aan Frans touche ‘test van goud of zilver’ [1260; Rey], ook algemener ‘test, proef’ [1285; Rey], later ook ‘steen waarop edele metalen getest worden, toetssteen’ [1562; Rey], ‘penseelstreek’ [1627; Rey]. De oorspr. betekenis is ‘stokje met een haak voor het optillen van knibbelstaafjes’ [ca. 1160; Rey], en het is een afleiding van het ww. toucher ‘in contact treden (via instrument)’, zie → toetsen.
Lit.: D.V. Coornhert (ca. 1575), Lied-boeck, Amsterdam z.j., G1v

toets 2 zn. ‘drukknop’
Vnnl. scherpe ysere toetskens ‘scherpe ijzeren plaatjes (aan de toetsen van een klavichord)’ [1619; iWNT], touche ‘toets (van een orgel)’ [1624; iWNT]; nnl. toets ‘drukknop’ (van het klavier van een muziekinstrument) [1733; iWNT], een klavier met 121 toetsen (van een zetmachine) [1846; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Frans touche ‘toets (van een klavecimbel)’ [1636; Rey], een afleiding van toucher ‘aanslaan (van een muziekinstrument)’ [ca. 1200; Rey]. Zie verder → toets 1 en → toetsen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toets [proef, aanslagstuk van klavierinstrument] {touche, toetse [onderzoek van edel metaal] 1338, vgl. toetsen [edel metaal onderzoeken] 1588; als ‘aanslagstuk’ 1624} < frans touche, van toucher [aanraken], van germ. herkomst, vgl. tokkelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toets 1 znw. m., (van een piano) eerst nnl. < fra. touche van het ww. toucher ‘aanraken’.

toets 2 znw. m. ‘proef tot bepaling van gehalte van edele metalen’, mnl. toetse, touche < fra. touche ‘aanraken’. — Zie ook toetsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toets I (van een piano enz.), nog niet bij Kil. Uit fr. touche (bij toucher; zie toetsen).

toets II (het onderzoeken), mnl. toetse, touche v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

toets II (het onderzoeken). De afl. van fr. toucher uit het Germ. is niet aannemelijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tósj (zn.) toets van piano; Nuinederlands touche <1624> < Frans touche.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toets s.nw.
1. Proef om die gehalte van edel metale te bepaal. 2. Ondersoek in die algemeen. 3. Klawer van 'n klavier of orrel. 4. Enigeen van die knoppies op 'n sleutelbord van 'n tikmasjien of rekenaar. 5. Voorlopige eksamen om leerders se kennis te bepaal. 6. Internasionale sportwedstryd.
In bet. 1 - 5 uit Ndl. toets (al Mnl. in bet. 1, 1620 in bet. 2, 1624 in bet. 3, 1861 in bet. 4, 1868 in bet. 5). Bet. 6 is 'n leenbetekenis van S.A.Eng. test (1908). Bet. 5 is 'n uitbreiding van bet. 2.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toets (Picardische vorm van Frans touche)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toets ‘aanslagstuk van klavierinstrument’ -> Fries toets ‘aanslagstuk’; Indonesisch tuts ‘aanslagstuk van piano, schrijfmachine, of keyboard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toets proef 1338 [MNW] <Frans

toets aanslagstuk van klavierinstrument 1624 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2268. Den toets doorstaan,

d.w.z. bestand zijn tegen de proef, het onderzoek; eig. gezegd van goud, welks gehalte door middel van een toetssteen (fr. pierre de touche (ook fig.); hd. probirstein) onderzocht wordt. Zie Kiliaen: Toetsen, auri vel argenti bonitatem explorare indice lapide; toetssteen, j. goudsteen, coticula, index; bij Pers, 525 a: op den toets stellen; Kluchtspel III, 334: op den toetssteen zetten; Halma, 644: Ik moet hem eens toetsen, ik moet hem eens op de proef stellen; Sewel, 789: Iemand op den toets zetten, to try one; iets ter toetse brengen, to bring a thing to a trial; hy kan de toets niet uitstaan, he cannot stand the test; Harreb. II, 336 a: Dat kan den toets niet doorstaan. Vgl. ook het 17de-eeuwsche toets houden, hetzelfde als proef houdenBrand, Lev. v. Vondel, bl. 14: Geen toets houden; Vondel, Aenleidingh: De hemelsche Poëzy moet op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden.; hd. die Probe aushalten, het adj. proefhoudend, hd. probehaltend. Zie no. 2162.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut