Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toerisme - (het reizen voor zijn plezier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toerist zn. ‘persoon die voor zijn plezier reist’
Nnl. “tourist” ‘iemand die reist voor zijn plezier’ [1839; Gids 1, 71], Tourist ‘id.’ [1841; Gids 1, 91], De onverschrokken Touriste ‘de onverschrokken vrouwelijke toerist’ [1853; Vad.lett., 266].
Ontleend aan Engels tourist [1780; OED], een afleiding van tour ‘reis, tocht’, een specifieke betekenis [1643; OED] bij tour ‘draai’ [1477; OED] en tourn ‘beurt’ [1292; OED], dat ontleend is aan Frans tour, zie → toer.
toerisme zn. ‘het reizen ter ontspanning’. Nnl. ... speciaal het tourisme ... [1897; Gelderlander]. Ontleend aan Engels tourism ‘toerisme’ [1811; OED], een afleiding van tour ‘reis, tocht’ met aanvankelijk een geringschattende bijklank, of aan Frans tourisme ‘id.’ (zonder negatieve bijklank) [1841; Rey], dat wrsch. ook ontleend is aan Engels tourism. ♦ toeristisch bn. ‘afgestemd op toeristen’. Nnl. eerst een geïsoleerd geval zijne touristische apathie [1842; Gids 1, 46], dan algemener toeristisch [1904; Leeuwarder Courant]. Afleiding van toerist (tourist), mogelijk onder invloed van Frans touristiquem.b.t. het toerisme’ [1830; Rey], een afleiding van touriste ‘toerist’ [1803; Rey], een ontlening van Engels tourist.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toerisme [het reizen voor zijn plezier] {1901-1925} < engels tourism, van tour [rondreis] < frans tour (vgl. toer1) + -ism.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toerisme (Engels tourism)
-toerisme (Engels tourism)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toerisme ‘het reizen voor zijn plezier’ -> Indonesisch turisme ‘het reizen voor zijn plezier’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

antiek toerisme [boektitel] (1911). De schrijver Louis Couperus (1863-1923) publiceert in 1911 zijn boek Antiek toerisme, waarvan de titel spreekwoordelijk wordt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toerisme het reizen voor zijn plezier 1911 [WNT] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

-toerisme, in samenstellingen als drugstoerisme, meubeltoerisme, ecotoerisme*, ramp(en)toerisme*, sekstoerisme* enz.: massale belangstelling voor iets. Meestal pejoratief.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut