Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toer - (omwenteling, rit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

toer zn. ‘reis; omwenteling; kunststukje; rij brei- of haaksteken’; (BN) ‘beurt’
Mnl. toer ‘kunstgreep, list’ in hi weet der toere vier of viue mede tontgane metten liue ‘hij weet wel vier of vijf listen om levend te kunnen ontsnappen’ [1276-1300; VMNW]; vnnl. toer ‘beurt, toerbeurt; omwenteling’ in wacht uwen toer ‘wacht uw beurt af’ [1500-25; iWNT], dede hi sinen tour ommegaens der banen ‘legde hij zijn weg af de baan in het rond’ [1530; MNW ommegaens], loose thoeren ‘slinkse streken’ [1523; iWNT], danssers met een dobbelen toer ‘dansers met een dubbele draai’ [1560; iWNT kreeft], seven dobbel toers ‘zeven dubbele windingen’ [1644; iWNT], tour ‘rondreis’ [1667; iWNT]; nnl. 't is een toer ‘het is een moeilijk karwei’ [1839; iWNT], de steken van het toertje ‘de steken naast elkaar op het rijtje (bij breien of haken)’ [1839; iWNT], Halsbrekende toeren op de slappe koord [1787; iWNT halsbrekend], toer ‘omwenteling (van een motor)’ in toerental [1913; NRC], over z'n toeren [1933; Vaderland].
In diverse betekenissen ontleend aan Frans tour ‘draai; kunstgreep, trucje’ [ca. 1175; Rey], ouder tor ‘ommekeer’ [1080; Rey], met betekenissen als ‘omweg’ [1176; TLF], ‘het draaien, truc’ [1181-90; TLF], daarnaast ook ‘wandeling, reis’ [ca. 1200; Rey], ‘moeilijke act’ [ca. 1310; Rey], ‘keer’ [1175; Rey], later ‘beurt’ als in tour à tour ‘om beurten’ [ca. 1456; Rey], een afleiding van tourner ‘draaien’ [12e eeuw; Rey], eerder al torner ‘id.’ [eind 10e eeuw; Rey], een ontwikkeling van Latijn tornāre ‘id.’, een afleiding van tornus ‘draai-ijzer, beitel’, ontleend aan Grieks tórnos ‘passer, middelpunt’. De betekenis ‘omwenteling (van een motor)’ is mogelijk mede ontstaan onder invloed van deze betekenis bij Duits Tour als in Tourenzahlmesser ‘toerentalmeter’ [1913; Schulz], dat ook ontleend is aan Frans tour.
toeren ww. ‘een ritje maken; een rondreis maken’. Vnnl. Ghy Tourt alle daagh ‘u maakt elke dag een ritje’ [1649; iWNT]; nnl. touren ‘een ritje (met de koets) maken’ [1793; iWNT], wie naar 't zuiden toert ‘wie naar het zuiden reist’ [1856; iWNT]. Afleiding van toer ‘tocht, reis’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toer1 [omwenteling, rit] {toer, tour [het rondgaan, kunstje] 1287} < frans tour [idem] < latijn tornus [draaischijf, graveerstift, draaibank].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toer znw. m., mnl. toer ‘het rondgaan, toerbeurt; kunstje, list’ < fra. tour (ofra. torn) < lat. turnus ‘draaischijf’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toer znw. In den loop van ’t mnl. tijdperk ontleend uit fr. tour “draaiing enz.” (bij tourner < lat. tornâre “draaien”). — Nnl. afl.: toeren ww.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toer m., uit Fr. tour, verbaalabstr. van tourner, uit Lat. tornare = draaien, keeren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

toer(e) zn.: snoer, streng kralen; kuif van boerinnenkapsel. Fr. tour ‘omloop, omtrek, wending’ < tor < torn, afgeleid van ww. tourner ‘draaien, wenden’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1toer s.nw.
1. Reis, tog. 2. Behendige handeling. 3. Omwenteling, bv. van 'n masjien.
Uit Ndl. toer (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1655 in bet. 3).
Ndl. toer uit Fr. tour uit Latyn tornus 'draaiskyf, draaiboek'.
D. Tour, Eng. tour, Sweeds tur.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

toer (op de snelle --) (vert. van Duits auf die schnelle Tour)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Toer, van ’t Fr. tour, van tourner = keeren, wenden, draaien, van ’t Lat. tornare. Een toer bij ’t breien: als men een draai, een rondte heeft gedaan. Een rijtoer van toeren = rondrijden; men komt op ’t punt van uitgang weer terug, wat bij een tocht niet het geval is. De uitdrukking: een hele toer (een lastige taak) zal wel bij ’t breien thuishooren.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

toer (ten toer van iets maken). - Deze uitdrukking is een ergerlijk gallicisme, letterlijk vertaald als zij is naar fr. faire le tour de quelque chose, waarvoor men in ’t Nederlandsch zegt om iets heengaan, eene wandeling rondom iets doen enz., al naar het verband. || Zij (maakten) den toer van ’t eilandje en somtijds landden zij er aan, BUYSSE, Wroeging 26. Opnieuw had de looze glimlach gedeeltelijk den toer van den (sic) tafel gemaakt, BUYSSE in De Gids 1894, III, 56.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toer kunststukje 1287 [CG NatBl] <Frans

toer reis, tocht 1530 [WNT] <Frans

toer omwenteling 1655 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal