Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tocht - (reis; trek, luchtstroom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tocht zn. ‘reis; trek, luchtstroom’
Mnl. tocht, tucht ‘vruchtgebruik (van een kapitaal)’ in de samenstelling liftucht ‘levenslang vruchtgebruik’ [1204; Slicher van Bath], ‘watergang’ in enen watertocht van achte voeten wiet ‘een poldersloot van acht voet breed’ [1319; MNW], een groot tocht van vytalie ‘een optocht van (karren met) levensbehoeften’ [1470; MNW]; vnnl. tocht ‘stoet’ in daer liep ... veel volcx uuter stadt om desen tocht te ziene [1566; iWNT], ‘stroom’ in de tochte ende losinghe van den watere vuyten Rijn in de zee [1570; iWNT], tocht des heyrs ‘legertrek, legerreis’ [1573; Thes.], ‘begeerte’ in een onkuysche tochte des herten [1586; WNT tocht], ‘luchtstroom’ in in een windige tocht, voor een deur aen keer ‘in een waaierige trek, voor een deur op een kier’ [1590; iWNT].
Net als → teug van de wortel van het Middelnederlandse werkwoord tien.
Os. tuht ‘opvoeding, gedrag’ (mnd. tucht, waaruit door ontlening on. tykt, en zie → tucht); ohd. zuht ‘levensonderhoud; opvoeding; spruit; geslacht’ (nhd. Zucht); ofri. tocht, tucht ‘opvoeding; trek’ (nfri. tocht); oe. tyht ‘opvoeding; loop’; got. us-tauhts ‘voltooiing’; < pgm. *tuh-ti-.
De oorspr. betekenis is ‘trek, het trekken’, maar het woord heeft in het Nederlands al vroeg vele afgeleide betekenissen gekregen. Voor de betekenis ‘vruchtgebruik’ zie → leeftocht. De betekenis ‘watergang’, i.h.b. ‘sloot die op een molen, gemaal, uitwateringssluis e.d. aansluit’ berust op het ‘verplaatsen’ van het water. Hetzelfde geldt voor de hedendaagse betekenis ‘luchtstroom in min of meer afgesloten ruimte’, bij uitbreiding ook wel ‘sterke luchtstroom buiten, langs een gebouw e.d.’. De huidige algemene betekenis ‘verplaatsing, gang, trek, reis’ is pas 16e-eeuws en gaat rechtstreeks terug op die van het werkwoord tijgen ‘gaan, zich verplaatsen, trekken’. Voor de betekenis ‘begeerte’ vergelijk → trek en zie ook hartstocht onder → hart. Zie ten slotte nog → borgtocht, waarin het tweede lid een onduidelijke betekenis heeft.
tochten ww. ‘trekken van de wind’. Nnl. wel foei! wat togt het hier [1803; iWNT]. Vergelijk dial. trekken, Duits ziehen ‘tochten’. Afleiding van tocht in de betekenis ‘luchtstroom’. ♦ tochtig bn. ‘winderig; bronstig’. Vnnl. tochtig ‘winderig’ in kout ende tochtich [1660; iWNT], ‘begerig’ in so maact dat soet herdencken den mensche tochtigh, om dickmaal sulcx lieflijck gevoelen te genieten [1590; iWNT]; nnl. togtige Merrien ‘hengstige merries’ [1772; iWNT]. Afleiding van tocht in de betekenis ‘luchtstroom’ resp. ‘begeerte’. In deze laatstgenoemde betekenis is tocht als simplex verouderd, maar nog herkenbaar in de samenstelling hartstocht, zie → hart. Voor een vergelijkbare betekenisontwikkeling zie → trek ‘begeerte, verlangen’ en → tuk 1 ‘begerig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tocht* [trek, rit] {tocht(e) [het trekken, poldersloot] 1297; de betekenis ‘reis’ 1599, vgl. tocht des heyrs [legerexpeditie] 1573} ook in samenstellingen als ademtocht, leeftocht, borgtocht, oudsaksisch tuht, oudhoogduits zucht; van dezelfde stam als tijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tocht znw. m., mnl. tocht, tucht v. m. ‘het trekken; opvoeding; poldersloot; vruchtgebruik, wellevendheid’, os. tuht, v., ohd. zuht (nhd. zucht) v., ofri. tocht, tucht, oe. tyht m., got. us-tauhts v., ondanks de sterk afwijkende betekenissen alle teruggaand op germ. *tuhti, verbaalabstract bij het ww. *teuhan ‘trekken’ (waarvoor zie: tijgen).

De vorm tucht kan een umlautsvorm uit verbogen naamvallen zijn, hoewel ook aan dialectische verschillen te denken is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tocht znw. Identisch met tucht; mnl. tocht, tucht v. m. met ruime bet.-sfeer. U is de vocaal van de verbogen casus en van afll. met een i in ’t formans; bovendien kunnen dial.-ver-schillen in ’t spel zijn. = ohd. zuht (nhd. zucht) v., os. tuht v., ofri. tocht, tucht (v.? Ook zwak tochta m.), ags. tyht m., got. us-taúhts v., met zeer uiteenloopende bett., te verklaren uit de bett. van germ. *teuχanan (oorspr. “trekken”; zie teug), waarbij germ. *tuχ-ti- verbaalabstractum is: = lat. ducti- (ductim “met een haal, met volle teugen”, ducti-ôn- “leiding”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tocht m., Mnl. id., Os. tuht + Hgd. zucht, van denz. stam als ʼt meerv. imp. van tiegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tocht 1, toecht, zn.: vruchtgebruik. Mnl. tocht ‘het trekken; vruchtgebruik’, Vnnl. tocht, by-leven ‘vruchtgebruik’ (Kiliaan). Vgl. Ndl. lijftocht. Afl. van tijgen ‘trekken’ < Mnl. tien ‘trekken’, nog in betijen. De g in tijgen door analogie met de vervoegde vormen tooch, getogen. Vgl. D. ziehen, zog, gezogen. Ohd. ziohan, Os. tiohan, Oe. têon, Got. tiuhan. Germ. *teuχan. Verwant met Lat. ducere ‘trekken’. Tocht beantwoordt aan D. Zucht ‘teelt, tucht’.

tocht 2, toecht, zn.: sappigheid, sap, vocht, innerlijke kracht. Deze woordvorm is ongetwijfeld te verklaren door identificatie met tocht 1. Aangezien Wvl. deugd net dezelfde betekenis heeft, kan tocht 2 worden verklaard uit Mnl. doghet, doocht, docht, deucht ‘deugd; kracht, innerlijke kracht’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2tog s.nw.
1. Reis, trek, toer. 2. Binnelandse handelsreis.
In bet. 1 uit Ndl. tocht (1599). In bet. 2 uit Ndl. koloniale handelstaal tocht (1637). Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 2 in 1818, ook reeds in 1752 in die samestelling togtganger (Scholtz 1965: 197), waarna in Afr. by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1818) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die samestelling togganger (1854).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tog I: begeerte (bv. hartstog); beweging (bv. v. lug); reis, trek; Ndl. tocht (Mnl. tocht/tucht), Hd. zucht, hou verb. m. tyg in ww. aantyg.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een tocht door de woestijn, een onderneming vol moeilijkheden.

Toen de Israëlieten Egypte hadden verlaten moesten zij veertig jaar door de woestijn zwerven voordat zij het hun Beloofde Land mochten binnentrekken. Over deze periode gaan de bijbelboeken Exodus tot en met Jozua. Veertig jaar is een heel lange tijd voor het doortrekken van de Sinaï-woestijn, zodat alleen daaruit al duidelijk is dat dat een onderneming vol moeilijkheden was.

'Een tocht door de woestijn', zo betitelde de pas aangetreden fractieleider Enneüs Heerma de nieuwe situatie [het CDA in de oppositie]. (NRC, 6-2-1999, p. 35)
Ook na lezing blijft de raadselachtige, soms opvallend kwetsbaar ogende persoonlijkheid van Martens voor een belangrijk deel in nevelen gehuld. Met Martens door de woestijn is wel 'een reisjournaal', waarin de gewezen premier wordt geportretteerd als de gedreven voorzitter van de Europese Volkspartij (EVP) en [...] (NRC, mei 1994)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

Tocht der Tochten

Vanaf het eerste ogenblik dat de Elfstedenkoorts eind 1996 uitbrak, werd de Elfstedentocht in de media omschreven als ‘de Tocht der Tochten’. ‘Tocht der Tochten’ geeft een overtreffende trap aan die niet overtroffen kan worden: de grootste, belangrijkste, langste, koudste tocht — het stelt allemaal niets voor vergeleken bij de Tocht der Tochten. Naar analogie werd 4 januari 1997, de dag waarop de Elfstedentocht gereden werd, uitgeroepen tot ‘de dag der dagen’, ook ‘de buisdag der buisdagen’, en de winnaar Henk Angenent kreeg de eretitel ‘held der helden’. De Volkskrant van 4 januari noemt de televisie die de Tocht der Tochten dagenlang versloeg, ‘het medium der media’: ‘Na de oorlog kwam de televisie, en het huwelijk tussen de Tocht der Tochten en het medium der media bleek een wonderbrouwsel. Niks is immers zo lekker als het aanschouwen van ontberingen vanuit een warme kamer.’ Later in het jaar verscheen een boek Tocht der tochten, dat ‘een complete elfstedengeschiedenis vanaf 1740’ gaf.

Bijbelvaste lezers zullen bij deze uitdrukkingen een gevoel van herkenning gehad hebben. In bijbelvertalingen als de Statenbijbel komen namelijk een groot aantal vergelijkbare uitdrukkingen voor: de God der goden, de Heer der heren, het heilige der heiligen, heiligheid der heiligheden, de hemel der hemelen, ijdelheid der ijdelheden, een knecht der knechten, een koning der koningen, en het lied der liederen voor het Hooglied van Salomo. Deze uitdrukkingen zijn letterlijke vertalingen uit het Hebreeuws en heten daarom hebraïsmen. Taalkundigen noemen de over­treffende trap in deze hebra­smen een bijbelse of Hebreeuwse genitief (tweede naamval) of een intensiteitsgenitief. Het Hebreeuws zelf kent overigens strikt genomen geen genitief of andere naamvallen.

In de Hebreeuwse bijbel (het Oude Testament) werd de genoemde constructie regelmatig gebruikt. Uit een onderzoekje van Arian Verheij met Jakob, de computer der computers van de theologen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, waarop het complete corpus bijbels Hebreeuws staat, bleek dat de constructie bij elf verschillende woorden 54 keer voorkomt, met als uitschieter de uitdrukking ‘heiligheid der heiligheden’, die Jakob 40 keer aantrof. Behalve de ook in het Nederlands gebruikte uitdrukkingen die hierboven zijn genoemd, komen in het Hebreeuws nog voor: ‘geslacht der geslachten’, ‘eeuwigheid der eeuwigheden’, ‘vorst der vorsten’, ‘dienaar der dienaren’ en ‘erf der erven’.

Voordat de bijbel in het Nederlands vertaald werd, gebruikte men de Latijnse vertaling, de zogenaamde Vulgaat, die door kerkvader Hiëronymus omstreeks 400 na Chr. is gemaakt en met wat kleine herzieningen tot in deze eeuw is gebruikt. Hiëronymus gebruikt in de Vulgaat de bijbelse genitief, in navolging van vroegere Latijnse teksten die op een letterlijke Griekse weergave van de Hebreeuwse grondtekst waren gebaseerd. Via de Vulgaat hebben we voor het eerst kennisgemaakt met de Hebreeuwse genitief; daardoor gebruiken we het Latijnse Canticum Canticorum naast zijn vertaling ‘lied der liederen’, sanctum sanctorum naast ‘het heilige der heiligen’ en vanitas vanitatum naast ‘ijdelheid der ijdelheden’. In het Latijn werd de Hebreeuwse genitief productief, dat wil zeggen dat er naar de bestaande voorbeelden nieuwe uitdrukkingen gevormd werden. Zo noemt de paus zich sinds Gregorius de Grote (ca. 540-604) servus servorum Dei ‘de dienaar der dienaren Gods’. Een tiende-eeuwse Latijnse vorstenspiegel, dus een boek met richtlijnen voor vorsten, kreeg de titel Secretum Secretorum. In de dertiende eeuw vertaalde en bewerkte Jacob van Maerlant het Latijnse origineel; hij noemde het werk Heimelijkheid der Heimelijkheden. Ook in het modern Latijn, na 1500, werden Hebreeuwse genitieven gemaakt. Zo gaf Johann Conrad Dippel (1673-1734) een geschrift dat hij onder het pseudoniem Christianus Democritus publiceerde en dat onder andere tegen Spinoza was gericht, de titel: ‘Fatum Fatuum, dat is Het Dwase Noodlot: sijnde een Sonneklaar Bewijs, dat alle tegensprekers van de vrye Wil des Menschen, door onfeylbare Gevolgen, gedwongen sijn, de Vryheidt Gods insgelijx weg te nemen [...]’.

Ook in het Nederlands zijn nieuwe, analoge uitdrukkingen ontstaan die niet rechtstreeks ontleend zijn aan Hebreeuwse of Latijnse voorbeelden. In bijbelse context kennen we ‘het Boek der boeken’ — in de bijbel zult u deze uitdrukking vergeefs zoeken. Al lang voor 4 januari 1997 heette een bij uitstek belangrijke of bijzondere dag ‘de dag der dagen’. Zo dichtte W. Bilderdijk in 1797:

Uw heilig feest (dien schoonsten dag der dagen

Waarop Natuur in u heur edelst toonbeeld schonk)

En J.J.L. ten Kate schreef omstreeks 1865:

O Christen Paaschfeest! dag der dagen!

Uw licht vertroost en heiligt mij:

Een antwoord Gods op al mijn vragen,

De rots van mijn geloof, zijt gij!

In deze voorbeelden is de ‘dag der dagen’ positief gebruikt voor ‘de mooiste of belangrijkste dag’. Dat het ook ‘de vreselijkste dag’ kan aanduiden, blijkt uit het citaat van H.J.A.M. Schaepman uit 1886:

Toen op dien dag der dagen

De woeste Turkenschaar

Voortstormend was gedron­gen

Aan ‘t gouden hoofdaltaar

[...]

In 1890 gaf de taalkundige J. Verdam als voorbeelden van hebraïsmen: ‘hij is een ezel der ezels, voor een groote ezel; aller treurspelen treurspel (gelijk Vondel zijn Adam in Ballingschap heeft betiteld) voor het treurspel bij uitnemendheid’. Reeds uit 1688 stamt de veelzeggende titel Verwarring der Verwarringen, gegeven aan een beleggershandboek met adviezen over de aandelenhandel, waarvan Joseph de la Vega, zoon van een naar Nederland gevluchte joodse bankier, de auteur was.

Nog steeds zijn Hebreeuwse genitieven buitengewoon populair. Een bloemlezing uit verschillende recente kranten: De dood wordt ‘de ervaring der ervaringen’ genoemd, The Sound of Music heet ‘de film der films’, Hamlet is ‘het stuk der stukken’, het Boekenbal wordt ‘het bal der ballen’ genoemd, Don Quichot is ‘de roman der romans’, de hamer waarmee minister-president Wim Kok wekelijks de ministerraad voorzit, is ‘de hamer der hamers’, ongehuwd zwanger zijn was vroeger ‘de ramp der rampen’, Kerstmis heet ‘de grote deadline der deadlines’, iemand stelt ‘de vraag der vragen’ en een ander streeft naar ‘de Tekst der Teksten, de onmogelijke tekst, de tekst die voor eeuwig in de toekomst ligt’. In de Volkskrant van 28 december 1996 beschouwt men de zin: ‘Het wordt eens tijd dat ik mijn mening ga verkondigen’ als ‘de openingszin der openingszinnen’ van ingezonden-briefschrijvers. Tot slot verwoordde de amateur-etymoloog Willem Hietbrink, bijgenaamd de Duizenddichter, zijn mening dat het Nederlands de oudste taal der wereld is, in een pamflet als: ‘Nederlands taal der talen’. Kortom, de bijbelse genitief is nog lang niet op zijn retour. Om die reden valt het te betreuren dat deze volgens nrc Handelsblad van 27 december 1996 in de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap niet of minder vaak voor zal komen. In de nieuwe vertaling zal ‘ijdelheid der ijdelheden’ bijvoorbeeld veranderd worden in ‘lucht en leegte’.

Ook in andere talen is de bijbelse genitief bekend en productief. De Engelsen spreken van Song of Songs, holy of holies, vanity of vanities, the book of books, en gebruiken de uitdrukking verder ook geheel buiten bijbelse context: in 1831 zei de bekende historicus en politicus Th.B. Macaulay ‘he gave me a dinner of dinners’, en de veelgebruikte uitdrukking ‘in het diepst van iemands hart’ luidt in het Engels in one’s heart of hearts. De Engelse dichter Robert Southey, die een groot liefhebber was van de Nederlandse dichter Cats, schreef in 1825 over Cats: ‘The poet of all poets, who has done most good to his country’.

In het Frans is sprake van vanité des vanités en le Livre des Livres, en in het Duits van der Gott aller Götter, Herr aller Herren, ein Knecht aller Knechte, der König aller Könige en das Buch der Bücher. Bij het Duits valt op dat in alle uitdrukkingen aller is toegevoegd, behalve bij het niet-bijbelse das Buch der Bücher. In dit verband is het aardig te wijzen op de Italiaanse naam voor de hoogste maffiabaas: capo di tutti i capi. Tot slot zeggen de Russen voor ‘per slot van rekening, ten slotte’ v konce koncov, letterlijk ‘op het eind der einden’.

Maar wat zou de media nu geïnspireerd hebben tot de geweldige opeenhoping van bijbelse genitieven rond de Elfstedentocht? Zou dit te maken hebben met de goddelijke status die de tocht bereikt heeft en de geur van heiligheid die rond de tocht hangt?

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tocht, van tiegen = trekken, vandaar: tocht = reis, vgl. ook op den tocht (= trek, zie Teug) zitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tocht ‘reis’ -> Deens togt ‘(zee)reis waarbij meestal ook geroofd wordt’; Deens tog ‘reis’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tokt ‘zeereis’; Zweeds tåg ‘reis’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels togt ‘handelsexpeditie; los werkman’ .

tocht ‘luchtbeweging ontstaan door openingen’ -> Papiaments † tocht ‘luchtbeweging ontstaan door openingen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Tocht der tochten [Elfstedentocht] (1985). Op 21 februari 1985 wordt de Elfstedentocht weer voor het eerst sinds 22 jaar gereden. De bekende schaatstocht maakt de uitdrukking ‘Tocht der tochten’ gevleugeld. Dit is een hebraïsme (‘woord, uitdrukking of constructie gevormd naar het Hebreeuws’) naar analogie van ‘Heer der heren’ of ‘boek der boeken’. Andere woorden en uitdrukkingen die door de Elfstedentocht bekend zijn geworden, zijn bijvoorbeeld klunen (‘met schaatsen over het land lopen’), dat het Nederlands uit het Fries overneemt, en “it giet oan”, de zin waarmee ijsmeester Kroes in 1997 aankondigt dat de tocht kan plaatsvinden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tocht* reis 1599 [Kil.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

tocht der tochten, heroïsche benaming voor de Elfstedentocht. Dergelijke uitdrukkingen met een overtreffende trap (bijvoorbeeld baas* der bazen; held der helden) zijn in het Hebreeuws heel gewoon. Vooral in de bijbel komen we ze met regelmaat tegen: Heer der heerscharen; heilige der heiligen; hemel der hemelen enz.

Liturgist prof. Paul Post had bijvoorbeeld met het oog van de ritenman naar het ‘feest der feesten’ gekeken, zoals hij de ‘tocht der tochten’ doopte — de Elfstedentocht. (Trouw, 31/01/97)
De eerste maandagavond na de elfstedentocht, 6 januari van dit jaar, meldden zich voor de Bres-groepsschaatscursussen op de Vechtse Banen in Utrecht ruim vijfhonderd mensen. Allemaal aangestoken door de ‘tocht der tochten’, willen ze de techniek (beter) onder de knie krijgen. (Elsevier, 08/02/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal