Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toch - (evenwel; immers; althans)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

toch bw. ‘evenwel; immers; althans’
Mnl. toch ‘echter, immers’ in cleen dropkijn die toch te niet gaen ‘kleine druppeltjes die toch verloren gaan (i.t.t. tot het water van de levende bron)’ [1437; MNW-P], ‘desondanks’ in ys toch gedadinght ‘is er toch een vergelijk getroffen’ [1452; MNW], versterkend in Waer omme sal toch God laten sterven synen zone [1460-80; MNW-P], ‘immers’ in Jhesus Cristus ... die toch wel wiste dat hi den derde daghe ... verrisen soude ‘... dat hij op de derde dag zou opstaan uit de dood’ [1480; MNW-P]; vnnl. toch ‘vooral’ in Laet ons toch in(t) stelleken gaen ‘laten we toch het stalletje binnengaan’ [ca. 1555; MNW], versterkend in Waer sinse toch alle bey? [1628; WNT]; nnl. toch versterkend in Wat ben ik tog onbezuisd! [1796; WNT], ‘immers, nu eenmaal’ in Die boeken geef ik u; ik lees tog niet [1796; WNT], ‘althans, wel’ in Komen we er te avond niet dan morgen toch [1841; WNT].
Variant van → doch, met verscherping van d- naar t-, die wrsch. is ontstaan in woordcombinaties waarin een stemloze medeklinker voorafging aan doch, en in de verbinding ende doch > *entoch (MNW). De vormen doch en toch bestonden eeuwenlang als bijwoord naast elkaar, tot ca. 1700, waarna doch uitsluitend nog voorkomt als voegwoord (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toch* [evenwel] {1452} verscherping van doch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

toch bijw. laat-mnl. toch, moet wel een variant zijn van doch, of nu door sandhi, dan wel door emfatische uitspraak is onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

toch bijw., sedert ’t laat-Mnl. Door Kil. met doch gelijkgesteld en inderdaad hiervan slechts een sandhi-variant. ’t Fri. heeft dôch, dochs “toch” met d en niet t uit þ eveneens door sandhi. Vgl. toen, te II.

[Aanvullingen en Verbeteringen] toch. Schrap de woorden: eveneens door sandhi.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

toch. De d van fri. dôch, dochs is niet aan sandhi-invloed (vgl. v.Wijk Aanv.), maar aan speciale ontw. van þ (via (ð) in minder geaccentueerde positie toe te schrijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toch voegw., verscherpt uit doch, gelijk toen (z.d.w.) uit doe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

toch (bijw.) evenwel, echter; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) tog, Nuinederlands toch <1642>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tog bw., voegw.
1. Nietemin. 2. Inderdaad, regtig. 3. In elk geval. 4. As versterking. 5. Baie erg. 6. Dog, maar.
Uit Ndl. toch (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1612 in bet. 6). Ndl. toch is 'n sandhi-variant van doch 'dog' en het ontstaan uit die opeenvolging van 'n stemlose konsonant en doch. So het toch mettertyd 'n selfst. vorm naas doch geword, egter nie wanneer doch 'n voegw. was nie, behalwe in 'n enkele geval (bet. 6).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1883 in bet. 1 - 5).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

toch (?) tw., 1. toch wel, immers, nietwaar. Ik zou je niet meer recht in de ogen kunnen kijken. Dat kan je begrijpen, toch? (Dobru 1968c: 54). Je bent heel anders dan Bisoenlal. - Daarom hou je zoveel van me, toch? (Vianen 1973: 127). Een Amerikaan kan het zich permitteren met een open hemd* rond te wandelen, hij is een Amerikaan, toch (Doelwijt 1968b: 22). Ik moest van m’n moeder naar m’n tante, je weet toch, helemaal in de Seringenstraat (Doelwijt 1972b: 9). - 2. namelijk. Ga je weg dan? vroeg een van de secretaressen. () Ja, ik moet iets gaan regelen* toch (Cairo 1977: 51). - Etym.: Bet. 1 ook in AN, maar lang niet zo alg. als in SN.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tog II: bw. inderdaad; nietemin, seker; Ndl. toch (Lmnl. toch, wsk. uit doch, misk. uit entdoch uit enddoch uit ende doch, vgl. toe II).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toch ‘evenwel; immers’ -> Zuid-Afrikaans-Engels tog ‘immers, nu’; Xhosa torhu ‘evenwel’ ; Indonesisch toh ‘evenwel; nietwaar?’; Javaans ta, toh ‘evenwel; nietwaar?’; Kupang-Maleis to ‘evenwel; nietwaar?; juist?’; Kupang-Maleis tòk ‘immers’; Rotinees tòk ‘immers’; Papiaments tòg (ouder: toch) ‘evenwel’; Sranantongo toku, togu ‘evenwel, niettemin; nietwaar?, immers’; Sarnami to ‘evenwel’; Surinaams-Javaans toh, tokh ‘toch wel, toch immers’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

toch. Toch is een bijwoord met de betekenis 'evenwel'. Het is in het Nederlands bekend sinds de vijftiende eeuw. Het Nederlandse woord is overgenomen door het Indonesisch. Een informant schrijft:

Tijdens een discussie hoorde ik in de jaren vijftig van de twintigste eeuw Indonesische gespreksgenoten telkens toh en tapi toh 'maar toch' zeggen.

Inderdaad gebruiken Indonesiërs regelmatig het Nederlandse toh, wat opvallend is omdat modale bijwoorden maar zelden worden geleend. Kennelijk gaf het Nederlandse toch een nuance aan die in andere talen gewenst was, want ook in het Papiaments is tòg geleend (bo ta bai tòg? 'je gaat toch?'), terwijl in het Sranantongo toku, met als variant tog, regelmatig wordt gebruikt (aladi mi bari a pikin, toku a lon go na strati 'hoewel ik het kind waarschuwde, rende ze toch de straat op'). In het Sranatongo wordt tog ook aan het eind van een zin gebruikt in de betekenis 'nietwaar?, immers' - dit gebruik komt ook in toenemende mate in het Nederlands voor ('dat is perfect, toch?'), misschien mede onder invloed van Surinaamse Nederlanders.

Overigens is toch via het Afrikaans ook in het Xhosa terechtgekomen, zie pap.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toch* bijwoord van causaliteit: evenwel 1452 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal